Raad heeft voldoende gronden om Reporter te veroordelen

Morgen beslist de Raad voor de Journalistiek of hij zich zal buigen over de omstreden uitzending van het KRO-programma Reporter. Gezien zijn eerdere uitspraken zal de Raad het programma wel veroordelen, meent Huub Evers.

KRO-voorzitter Braks moet dezer dagen bepaald geen zorgeloze tijden meemaken, ingeklemd als hij zit tussen een boze CDA-top, leden van zijn omroep die hun lidmaatschap opzeggen en de programmamakers zelf van de KRO die vinden dat hun voorzitter nadrukkelijker de zijde van zijn mensen moet kiezen. Toch zal hij over één aspect tevreden zijn. Hij werd namelijk op zijn wenken bediend toen hij in Het Capitool zei een uitspraak van de Raad voor de Journalistiek te wensen. Over de steeds meer voorkomende samenwerking van opsporingsorganisaties en journalisten en over het risico dat verdachten door de media als schuldigen worden aangemerkt.

Twee leden van de Raad gaven gehoor aan Braks' wens en vroegen het journalistiek opiniecollege een oordeel uit te spreken over de principiële kanten van de 'affaire-Reporter'. Ook zonder een klacht van Brinkman - hij heeft inmiddels laten weten geen klacht te zulen indienen - kan de Raad in meer algemene zin een uitspraak doen over deze kwestie. Door een reglementswijziging heeft de Raad sinds ruim een jaar de mogelijkheid om “anders dan naar aanleiding van een klacht een uitspraak te doen over zaken betreffende journalistieke gedragingen met een algemene strekking en die van principieel belang zijn”. Van deze mogelijkheid werd nog niet eerder gebruik gemaakt. Mocht de Raad morgen besluiten aan het verzoek gehoor te geven en op een aantal principiële punten een uitspraak te doen - hetgeen mij zeer waarschijnlijk lijkt - welke aspecten zullen dat dan zijn? En zijn in de jurisprudentie van de Raad aanknopingspunten te vinden die daarbij gebruikt kunnen worden?

Een eerste punt van kritiek is de suggestieve wijze waarop Reporter in de combinatie van teksten en beelden aandacht besteedde aan de verdenkingen van fiscale fraude bij een bedrijf waarvan Brinkman commissaris is. Niet het feit van de uitzending zelf en de onderzoeksjournalistiek van Reporter staan dan ter discussie, maar de wijze waarop de zaak werd gepresenteerd. Beunders heeft eerder al op deze pagina duidelijk laten zien hoe de choreografie van beeld en geluid aan een televisieprogramma een impliciete boodschap (de 'verzwegen component') kan meegeven (NRC Handelsblad van 11 april). Hij pleitte terecht voor het analyseren van en debatteren over audiovisuele journalistieke produkten en de daarin opgesloten impliciete betekenissen en verwijzingen.

De Raad voor de Journalistiek heeft daarmee inderdaad nog weinig ervaring, maar te zeggen, zoals Beunders doet, dat het college 'geen enkele affiniteit met de audiovisuele media' heeft, gaat wel wat ver. Van der Meiden schreef in Trouw zelfs dat bij de Raad alleen geklaagd kan worden over gedrukte media. Dat is apert onjuist. In 1982 werd de NOS een van de participanten in de Stichting Raad voor de Journalistiek. Sindsdien kan er ook over journalistieke programma's op radio en televisie geklaagd worden. Niettemin gaan bijna alle klachten (ruim vierhonderd inmiddels) van dit in 1960 opgerichte opiniecollege voor de journalistiek inderdaad over gedrukte media. De laatste jaren worden ook, zij het mondjesmaat, klachten ingediend over radio- en televisieprogramma's.

Een uitspraak van de Raad over televisiejournalistiek die in deze affaire van betekenis kan zijn, is die over het programma 'Ooggetuige' van RTL4. In februari 1993 ging, na afloop van de voetbalwedstrijd Nederland-Turkije, een aflevering van dit programma over de verhouding tussen autochtonen en allochtonen in de Utrechtse wijk Lombok. Ook hier was de kritiek dat de gekozen combinatie van beeld en geluid een geheel vormde waarvan een sterk suggestieve werking uitging. Het programma, aldus de klagers, oogde weliswaar als een objectief beeld van de wijk, compleet met hoor en wederhoor, maar de uitzending was impliciet discriminerend ten opzichte van de buitenlanders en doorspekt met racisme.

De Raad deelde die kritiek en oordeelde dat de programmamakers niet hadden volstaan met een objectieve weergave van wat in de wijk leefde. Het commentaar bij de beelden en de getoonde interviews speelden in op racistische en/of discriminatoire opvattingen jegens buitenlanders. Betrokkenen riepen door het commentaar bij de uitzending en de selectie van beelden en geïnterviewden gaven een eenzijdig beeld van de wijk Lombok, waarbij de Turken en Marokkanen uit die wijk sterk negatief werden belicht met als gevolg dat de uitzending bestaande vooroordelen tegen buitenlanders kon bevorderen of oproepen.

Een ander element is de steeds vaker voorkomende samenwerking van journalisten en opsporingsinstanties. Meer specifiek is hier de vraag aan de orde of en in hoeverre de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en integriteit van verdachten ondergeschikt gemaakt mag worden aan het journalistieke belang van openbaarmaking in een stadium waarin nog slechts sprake is van verdenkingen. Bijvoorbeeld wanneer bij een inval opsporingsambtenaren op de voet gevolgd worden door cameraploegen. De Raad voor de Journalistiek zegt in een lange reeks uitspraken dat verdachten door de media niet als daders mogen worden opgevoerd en dat hun anonimiteit gewaarborgd moeten worden juist omdàt ze nog slechts verdachten zijn.

In de zaak Zegwaard contra NOS-journaal uit 1989 meende de Raad dat in een aantal journaaluitzendingen te sterk de indruk werd gewekt, dat het afvalverwerkingsbedrijf de milieudelicten daadwerkelijk had gepleegd, waar op dat moment nog slechts sprake was van verdenkingen van illegale en strafbare handelingen. In het begin van de uitzendingen werd weliswaar meegedeeld dat het op dat moment enkel ging om de verdenking van strafbare feiten, maar voor het overige werd gesuggereerd dat de zaak eigenlijk duidelijk was. Ook hier weer een parallel met de uitzending van Reporter: door in een context van verdachtmakingen enkele malen te roepen dat Brinkman niet zelf tot de verdachten behoort, moet de kijker wel haast gaan veronderstellen dat ook met de CDA-lijsttrekker wel iets niet pluis zal zijn!

Tenslotte de wijze waarop enkele parlementariërs (onder wie de VVD'er Linschoten) aan het woord werden gelaten over valkuilen in de betrekkingen tussen politiek en bedrijfsleven. De Kamerleden wisten niet dat hun antwoorden deel zouden gaan uitmaken van een reportage die Brinkman in verband zou brengen met belastingfraude. Zij verklaarden na de uitzending dat ze zich misleid voelden. De Raad heeft in een aantal uitspraken gesteld dat een journalist in beginsel zijn informant met open vizier tegemoet moet treden en dat hij de geïnterviewde duidelijkheid moet verschaffen over de strekking en context waarin de gedane uitspraken gepubliceerd zullen worden.

Het KRO-bestuur mag dan inmiddels in meerderheid tot het oordeel gekomen zijn dat het veelbesproken programma 'passend' is, op basis van het bovenstaande twijfel ik ten zeerste of de Raad voor de Journalistiek dat ook zal vinden.