Premierschap voor kroonprins niet aan de horizon

Aardig toch weer: een debat tussen twee politieke concurrenten dat uitmondt in pure lotsverbondenheid.

Gisteren dienden in het televisie-programma Het Capitool PvdA-lijsttrekker Kok en D66-voorman Van Mierlo tegenover elkaar te staan. Maar het resultaat was dat ze drie kwartier later de studio nog net niet hand in hand verlieten. PvdA en D66 zullen samen de basis voor een nieuw kabinet moeten vormen, zei Kok. Van Mierlo sprak hem niet tegen. Tegelijkertijd nam Kok afstand van zijn huidige coalitiegenoot het CDA. Als derde partner komt de partij in aanmerking met wie een zo progressief mogelijk beleid is te voeren, zei de van zelfvertrouwen blakende PvdA-leider. En dat hoeft niet automatisch het CDA te zijn. Opnieuw met dank aan de vertrekkende premier Lubbers; de verkiezingscampagne heeft hierdoor zijn zoveelste interessante fase bereikt. Want zonder diens verrassende aanval op de PvdA van vorige week woensdag, zou Kok zich ongetwijfeld minder stellig hebben uitgedrukt.

Vooral Lubbers' opmerkelijke toelichting op zijn verwijten aan het adres van de PvdA heeft Kok getergd. Die 'verduidelijking', afgelopen vrijdag na afloop van de ministerraad, kwam er op neer dat Lubbers niet zo zeer had willen waarschuwen tegen het programma van de PvdA, waar hij zich immers eerder positief over had uitgelaten, maar meer tegen de gevolgen van een PvdA die groter zal zijn dan het CDA. Op zo'n moment komen bij de PvdA zeer oude sentimenten boven: voor de confessionelen is het dus toch 'alleen bij uiterste noodzaak', regeren met de PvdA, conform de van oorsprong uit 1922 daterende doctrine van de Rooms Katholieke Staats Partij.

“Ontluisterend” noemde Kok de uitleg van Lubbers en hij reageerde met minder liefde van zijn kant jegens het CDA. Zijn eerste doel is nu een innige relatie met D66, daarna pas wordt naar andere partners uitgekeken. Het doet in de verste verte enigszins denken aan de situatie in 1972 toen de 'progressieve drie' (PvdA, D66 en PPR) voor de verkiezingen met elkaar een akkoord sloten. 'Keerpunt 72' heette hun regeerprogramma en er werd zelfs een compleet schaduwkabinet bij geleverd. Zo ver is de samenwerking nu nog lang niet. Het gaat bij de overgebleven 'progressieve twee' niet verder dan het uitspreken van intenties. Bovendien zijn de onderlinge krachtsverhoudingen tussen de twee partijen ingrijpend gewijzigd. Toen was de PvdA ruim vier maal zo groot als D66, nu houden de partijen elkaar volgens de peilingen ongeveer in evenwicht. Bovendien spraken de 'progressieve drie' indertijd uit niet te zullen onderhandelen over het vormen van een kabinet met partijen waarmee vóór de verkiezingen geen akkoord was bereikt. Het is een vorm van duidelijkheid die de partijen anno 1994 niets eens durven te opperen.

De vergelijking met 1972 gaat vooral op vanwege de 'omgevingsfactoren'. Het progressieve blok kon destijds mede gedijen als gevolg van de toestand van ontbinding waarin de (toen nog) drie confessionele partijen zich bevonden. Het huidige geploeter in het CDA roept niet voor niets een déjà vu gevoel op, zij het dat de situatie nu nog ernstiger is dan ruim twintig jaar geleden. In 1972 hadden KVP, ARP en CHU na een verlies van tien zetels samen nog 48 zetels over. Volgens de enquêtes zullen dat er na 3 mei aanstaande niet meer dan dertig zijn. De progressieve twee daarentegen zullen vooral door toedoen van D66 op rond de zestig zetels mogen rekenen: vier meer dan de 'Keerpunt-partijen' in 1972. De stembusuitslag van dat jaar leidde uiteindelijk tot het meest progressieve kabinet van na de oorlog. Worden de peilingen over twee weken werkelijkheid, dan staat Nederland aan de vooravond van een nog progressiever kabinet. Tenminste, wat betreft partijsamenstelling. Inhoudelijk gaat vanzelfsprekend elke vergelijking met 1972 mank.

Maar die voorspelde krachtsverhouding verklaart wel een deel van de paniek waarin het CDA en haar lijsttekker thans verkeren. Als CDA deelnemen in een kabinet waar het progressieve blok twee maal zo groot is, is niet minder dan een rampzalig vooruitzicht voor een partij die in macht denkt. Zelfs als de nek-aan-nek-race er toe zal leiden dat het CDA als grootste partij uit de strijd naar voren komt, zal de verhouding tweederde-eenderde tussen progressieven en christen-democraten nauwelijks nog wijzigen. In feite zou deze uitkomst voor het CDA zelfs nog rampzaliger zijn. Elco Brinkman die zichzelf in een reactie op de dolkstoot van Lubbers het afgelopen weekeinde duidelijker dan ooit tevoren kandideerde voor het premierschap mag dan leiding gaan geven aan een kabinet dat wordt gedomineerd door PvdA en D66. Het oud JOVD-lid, de man van de Texelse rede die riep dat het speelkwartier voorbij is, als naamgever van een kabinet dat in pure krachtsverhoudingen gemeten een groter progressief gehalte heeft dan het kabinet Den Uyl, kan het nog ironischer?

Vandaar ook dat het niet zal gebeuren. Maar wat dan wel? Juist omdat Brinkman zich als fractievoorzitter de afgelopen jaren aan de rechterkant heeft geprofileerd kan hij niet tot een kabinet toetreden waar PvdA en D66 zo'n groot overwicht hebben. Anders gezegd: een ministerpost of het premierschap zit er voor hem alleen in als er een coalitie met de VVD tot stand komt. Maar om op een meerderheid te kunnen rekenen is wel de hulp van D66 nodig. Die hulp kan Van Mierlo slechts verstrekken op straffe van een totale ineenstorting van zijn partij, en is derhalve niet erg waarschijnlijk. Maar ook binnen zijn eigen partij zal Brinkman heel wat uit te leggen hebben als hij nu weer zou overstappen naar de VVD.

Nog geen half jaar geleden noteerden de bookmakers op het Binnenhof tien tegen één dat na de verkiezingen de huidige coalitie van CDA en PvdA zou worden voortgezet, aangevuld met D66. Nu niet meer. Bij de gewijzigde onderlinge verhoudingen tussen de drie kandidaat-coalitiepartijen zit Brinkman zichzelf en daarmee zijn partij in de weg. Anderen binnen het CDA, waaronder premier Lubbers, hebben dat beter in de gaten dan Brinkman zelf.