Paul Weller laat het verleden achter zich

Concert: Paul Weller. Gehoord: 16-4, Paradiso, Amsterdam

Sommige, vooral wat oudere popmusici maken nog wel platen, maar voor hun optredens zouden ze dat net zo goed kunnen laten. George Clinton bij voorbeeld speelde ondanks een nieuwe cd vrijdagavond in Paradiso louter hits uit de oude doos, nummers van Parliament en Funkadelic waarmee hij beroemd werd in de jaren zeventig. Een avond later liet Paul Weller, de vroegere leider van de Britse punkgroep The Jam, in dezelfde zaal horen dat het ook anders kan. Het publiek riep om oude Jam-hits als Going Underground, maar Weller, blakend van zelfvertrouwen, weigerde ze te spelen. Zelfs het verzoek om een laat Jam-nummer als A Town Called Malice, een Motownachtig nummer dat precies past in zijn huidige repertoire, legde hij naast zich neer.

Het is duidelijk, en de echte Wellerfans wisten het natuurlijk al lang: Paul Weller heeft zijn punkverleden afgezworen. Dat begon al in de nadagen van The Jam, toen het punktrio hoorbaar belangstelling kreeg voor soulmuziek uit de vroege jaren zeventig, en zette zich voort in The Style Council, de groep waarmee Paul Weller in de jaren tachtig optrok. Misschien zelfs wat al te sterk, want The Style Council bleef voornamelijk steken in kleffige soulpastiches. Maar nu hij sinds een paar jaar alleen onder de naam Paul Weller optreedt, is er van klefheid geen sprake meer: zijn titelloze solodebuut uit 1992 en de vorig jaar verschenen cd Wild Wood zijn een ideale synthese van de kracht, bravoure en directheid van The Jam en de voorkeur voor meefluitbare melodieën van The Style Council.

Wellers optreden in Paradiso bestond grotendeels uit nummers van zijn laatste twee platen, af en toe afgewisseld met een cover, zoals een opgepepte uitvoering van Ohio dat het origineel van Neil Young overtrof. Wellers eigen liedjes wonnen zelfs nog aan kracht vergeleken met de plaatuitvoeringen. Neigen ze op de cd door het gekwinkeleer van fluit en blazers nogal eens naar geforceerde nostalgie naar 1971, live laat de sobere maar uitstekende band, naast Weller op gitaar en piano bestaande uit nog een gitarist, een drummer, een bassiste en een toetsenspeelster, dergelijke overbodigheden niet toe. Nu was het enige nostalgische element de lichtshow, die voor een deel bestond uit hippie-achtige projecties.

Er was trouwens nog iets dat Wellers concert maakte tot een verademing in vergelijking met de voorgaande avond: het geluid. Waren veel nummers tijdens het Clintonconcert, zoals zo vaak bij popconcerten, alleen waarneembaar als een brij, bij Paul Weller stond de geluidsinstallatie haarscherp en niet al te hard afgesteld. Elke nuance van de liedjes, die vaak worden gekenmerkt door een vloeiende overgang van akoestische ingetogenheid naar uitbundig elektrisch gerag, was te horen. En bovenal de stem van Paul Weller, die beter, duidelijker en mooier zong dan hij ooit met The Jam heeft gedaan.