Pasok: nog één keer Papandreou

ATHENE, 18 APRIL. Bij acclamatie is de 75-jarige Griekse premier Andreas Papandreou gistermiddag opnieuw aangewezen als leider van de pan-Helleense Socialistische Beweging (PASOK). Dat gebeurde op de laatste dag van het derde congres van deze partij, die in 1974 door hem is opgericht. Zelf meeklappend nam hij lachend een minutenlange ovatie van de 4.400 deelnemers uit het hele land in ontvangst.

Vervolgens sprak hij van een “weergaloos gebeuren” - niet helemaal terecht want precies hetzelfde tafereel had zich ook in 1974 en 1986 voorgedaan. Wat deze gebeurtenis historisch maakte was eerder dat zij hoogst waarschijnlijk niet meer opnieuw herhaald zal worden. Steeds meer waarnemers zien aankomen dat Papandreou in mei volgend jaar, als de 87-jarige Karamanlis moet aftreden, een gooi zal doen naar het presidentschap van de republiek, wanneer zijn gezondheidstoestand dat tenminste zal toelaten. Hij heeft daarvoor een drievijfde meerderheid nodig in het parlement. De PASOK komt daarvoor momenteel tien stemmen te kort en zal dus moeten aankloppen bij afgevaardigden van een van de drie andere in het parlement vertegenwoordigde partijen.

Maar, aanstaand president of niet, het post-Andreaanse tijdperk werpt zijn schaduwen vooruit en dat is tijdens dit congres ook wel gebleken, hoewel niemand er natuurlijk openlijk over sprak. De talloze gloedvolle redevoerinkjes, die maar vijf minuten mochten duren, werden doorgaans slechts door een minderheid beluisterd. De meerderheid was te vinden in de wandelgangen, de cafés en parkeerplaatsen rond het Olympisch Stadion, waar het congres werd gehouden. Daar was het dagenlang een uitwisseling van lijsten van namen van kandidaten voor het nieuwe 150-koppige Centrale Comité. Het ging erom zoveel mogelijk stemmen te krijgen en zo hoog mogelijk uit te komen in de hiërarchie van de spoedig Andreas-loze partij.

Voor het Centraal Comité kreeg George Jennimatás, de minister van nationale economie die Papandreou in populariteit overtreft, verreweg de meeste stemmen. Maar hij worstelt met teruggekeerde longkanker en liet alleen een boodschap voorlezen waarin hij dramatisch opwekte tot eenheid. Tweede op de lijst werd, veelbetekenend, de minister voor Europese zaken Theódoros Pángalos, die met zijn pittige uitspraken over van alles en nog wat snel aan aanhang wint. Daarachter kwam de populist Dimitris Tsovólas die door Papandreou verrassend buiten het kabinet is gehouden en in zijn vijf minuten een aanval deed op het soberheidsbeleid dat het oude socialisme zou verloochenen.

De Atheense zondagspers was vol kritiek op het feit dat het congres zich, zij het versluierd, voornamelijk bezig hield met het post-Andreaanse perspectief en vrijwel geheel voorbijging aan het penibele isolement waarin Griekenland zich bevindt na de afkondiging van het embargo tegen de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (een door Papandreou persoonlijk genomen beslissing, maar dat stond er nergens bij). Alleen Pángalos verwees hiernaar met de uitspraak: “Als we in gevaar komen, kunnen we dat beter buiten Europa dan daarbinnen doen.” En dat was een reactie op een verholen waarschuwing van de vanouds zeer pro-Europeaanse minister van industrie Simitis, dat Griekenland in de volgende eeuw “het Albanië van Europa” zal kunnen worden.

In verband met de toestand op de Balkan stond ook de merkwaardige schriftelijke boodschap die Dimitra, de echtgenote van de premier, tot het congres richtte. Daarin maakt ze gewag was van “toenemend godsdienstig imperialisme, waartegen de orthodoxie, met Griekenland verbonden, zich moet teweerstellen”. In een artikel in het dagblad Ta Nea was zij de dag daarvoor al gekomen met de aanklacht dat katholicisme en islam hierbij gemene zaak maakten. De PASOK zou zich voor alles moeten inzetten voor “het behoud van het Hellenisme”. “Nationaal denken is iets anders dan nationalisme”, aldus Dimitra. In het vorig jaar aangenomen manifest van de PASOK heet het letterlijk dat “Griekenland zijn orthodoxe identiteit moet uitbuiten”.

De PASOK heeft in de twintig jaar van haar bestaan een ontwikkeling doorgemaakt van Derde-Wereldsocialisme naar sociaal-democratie. Wat bleef, was het sterk nationaal-ideologische element. Dit, gevoegd bij het religieuze stempel van de laatste jaren, maakt dat zij uniek blijft onder de socialistische partijen.

    • F.G. van Hasselt