Nederzetting

“In onze streken”, zegt dr. L.H. van Wijngaarden-Bakker van het IPP in Amsterdam, “is de koe voor de veehouderij altijd nummer 1 geweest. Dat is heel uitzonderlijk.”

De oudste bij ons aangetroffen koeiebotten zijn van ongeveer 2500 v.Chr. Ze komen van een neolithische vindplaats bij Schokland, nu in de Noordoostpolder. Honderd jaar geleden lag dat in de Zuiderzee, 4500 jaar geleden, bij een heel lage zeespiegel, aan de oevers van de Overijsselse Vecht.

De nederzetting is over een reeks van eeuwen permanent bewoond geweest, doorgaans vermoedelijk door één gezin, een stuk of zes mensen, zodat je bij nederzetting eerder aan een soort ooievaarsnest moet denken dan aan een dorp.

De mensen waren goedgebouwd (tot 1.90 m) en weldoorvoed. Ze hadden een voortreffelijk gebit, bijna geen cariës. Ze hielden grote koeien - tot een schofthoogte van 1.40 m. Met enige goede wil konden mens en koe elkaar recht in de ogen kijken.

Ze leefden van landbouw en veeteelt. Daarbij werd er gejaagd. Eland, edelhert, bruine beer, otter en bever, véél bevers. Ganzen, eenden en kraanvogels. Harder, meerval en steur. Die mensen moeten tot aan hun oren in de natuur hebben gezeten.

Tot hun jachtbuit hoorde vrijwel zeker ook het oerrund. Tot circa 1000 v.Chr. heeft het dier zich weten te handhaven. Je kunt er gif op nemen dat het, een voedselconcurrent van zijn gedomesticeerde soortgenoten, genadeloos uit de weg werd geruimd.

    • Koos van Zomeren