Michel Hockx promoveert op grondleggers moderne Chinese dichtkunst; Verzet tegen de afgebonden voetjes-poëzie

De sinoloog en vertaler van de Chinese schrijver Duo Duo, Michel Hockx, verdedigt morgen aan de universiteit van Leiden zijn proefschrift over een groep vooruitstrevende Chinese dichters die werkten op 'de breuklijn van traditie en moderniteit', in de periode van het ontstaan van de communistische partij.

LEIDEN, 18 APRIL. “Jongens met wie ik een biertje zou gaan drinken, als ik ze gekend had”, zegt Michel Hockx over de experimentele Chinese dichters uit de jaren twintig, die hij onderzocht voor zijn promotie. De jonge sinoloog (29) legt een direct verband tussen zijn leeftijd en de empathische benadering van zijn onderwerp. “Ik begon mijn onderzoek met het lezen van allerlei waanzinnige Chinese tijdschriften uit de periode tussen 1917 en 1923, uitgegeven door studentjes en zo. Ik vond het ontzettend leuk om hun beweringen te lezen over de Ware Zin van het Leven en over de Essentie van Poëzie. Ik zat zelf ook in redacties van dat soort blaadjes, dus ik kon me daar geweldig goed in inleven.”

De acht onderzochte dichters, ook actief als literatuurcritici, publiceerden in 1922 gezamenlijk de bundel Besneeuwde ochtend, het uitgangspunt voor Hockx' gelijknamige proefschrift. Het werk van deze dichters wordt doorgaans afgedaan als mislukte experimentele poëzie, die zich niet heeft kunnen losmaken van de traditie. 'Poëzie van de afgebonden voetjes', noemt een Chinese dichter/criticus uit die tijd het.

De promovendus bestrijdt deze visie. Niet omdat hij hun poëzie zo prachtig vindt -“poëzie uit de jaren dertig is inderdaad mooier”-, maar omdat deze dichters volgens hem baanbrekend werk hebben verricht.

“Ik beweer dat zij de basis hebben gelegd voor de moderne Chinese poëzie. Mijn voorgangers situeren het begin van de moderne tijd later, halverwege de jaren twintig, wanneer de westerse romantiek zijn intrede in China doet en de lyrische invloed van dichters als Byron, Keats en Shelley zich doet gelden.”

Toen zou voor het eerst een eigen Chinese vorm zijn gevonden voor de moderne poëzie, die in de jaren dertig tot volledige bloei kwam.

“Maar de groep van de Besneeuwde Ochtend brak in 1917 al met de formele conventies van de traditionele poëzie. Ze stapten af van de klassieke schrijftaal en begonnen in spreektaal en in vrije verzen te schrijven. Bovendien schrokken ze niet terug voor een fenomeen als personificatie, wat in die tijd ongelooflijk gewaagd was. Als je een boom laat praten dan weet iedereen dat je dat verzint. In de klassieke traditie moest poëzie een uiting zijn van oprechte gevoelens die pasten bij een echt beleefde situatie. Ook inhoudelijk waren deze dichters dus behoorlijk vernieuwend. De reden van die verandering laat ik in het midden, al is het opvallend dat een paar van hen op dat moment Baudelaire vertaalden.”

Niet alleen hun gedichten, maar ook hun tegenstrijdige uitspraken over literatuur laten zien dat er in die periode van alles in beweging is. “In eerste instantie definiëren zij literatuur in zijn geheel als de combinatie van schoonheid en ideologie. In hun humanistische ideologie is literatuur iets om met andere mensen te delen, met het doel de mensheid tot het goede te bewegen. Dat gaat op een gegeven moment wringen met hun artistieke behoefte aan schoonheid en individuele expressie. Uiteindelijk maken zij zich, dwars tegen de tijdgeest in, los van alle ideologieën en bewegen ze zich in de richting van het a-morele. Proza blijft een belangrijk middel om de wereld te verbeteren, maar poëzie wordt steeds meer als maatschappelijk irrelevant beschouwd en kan zich daardoor naderhand vrijer ontwikkelen.”

Kenmerkend is de uitspraak van een van hen dat poëzie zoiets is als het fluiten van een deuntje: je doet het als je er zin in hebt, en anders laat je het.

Waarom besteedt Hockx zoveel aandacht aan de literatuuropvattingen van de dichters, in plaats van hun werk centraal te stellen? “Ik wilde hun werk niet naar westerse maatstaven beoordelen. Ik vond het interessanter om te zien wat de dichters zelf dachten en hoe hun tijdgenoten op hen reageerden. En ik wilde niet generaliseren. Binnen de Volksrepubliek China is altijd heel generaliserend geschreven over deze periode. Het is dezelfde tijd waarin de communistische partij is ontstaan. Achteraf moest iedereen uit die tijd dus een vastomlijnde rol in de communistische geschiedenis krijgen. Over deze dichters werd gezegd dat ze tot de bourgeoisie hoorden, vooruitstrevend waren, op een gegeven moment in hun ontwikkeling zijn blijven steken en contra-revolutionair werden.”

“In China is nooit geschreven over wat mensen dachten, maar of wat ze dachten wel paste in de algemene historische trend. Volgens mij is het echter een kwestie van smaak of personen worden gecreëerd door hun tijd of andersom. “Ook in het Westen is altijd generaliserend over deze periode geschreven, aangezien we tot voor kort geen toegang tot de bronnen hadden. Sinds 1978 mogen bepaalde tijdschriften weer herdrukt worden en kunnen wij naar China om in de archieven en bibliotheken te speuren. Dan zie je ineens dat er veel meer aan de hand was in die tijd. Er waren niet alleen communisten, er waren ook anarchisten en liberalen. Het was een zooitje ongeregeld.”

    • Judith Uyterlinde