'Ik zou Dietrich-achtige kuren krijgen'

Wie als man geboren is, kan zich meestal slecht voorstellen hoe het zou zijn om als vrouw door het leven te gaan. En omgekeerd. Annemarie Oster vroeg aan twaalf mannen uit verschillende beroepen en van verschillende leeftijden hoe zij zichzelf als vrouw zouden zien.

Als achtste Han de Vries (51), hoboïst

Wat ik leuk vind aan het vrouw-zijn: dat je kunt kiezen. Niet de man maar de vrouw kiest wie ze toelaat, wie ze bij zich wil houden en van wie ze kinderen wil hebben. Ik zou Joop van Tijn kiezen. Omdat ik zijn afmetingen leuk vind, en vooral dat snelle gezicht. Nee, niet direct sexy. Dat vind ik iemand pas als het lijf atletisch is. Naast Joop ben ik een iets te grote gymnastieklerares, maar elegant in mijn motoriek. Als ik een kindvrouwtje was, zou ik me veilig voelen bij iemand als Henry Kissinger. Herman Gordijn, dat vind ik een prachtige man, naast hem was ik een soort Lydia Polak.

Als vrouw-alleen hield ik salon. Er zouden hier prachtige schilderijen hangen en waanzinnige boeketten staan, door mij gerangschikt met over-kritische blik. Hier zouden grote schrijvers uit hun werk voorlezen. Ik gaf opdrachten, ik liet Schnittke een nieuwe opera schrijven. Zelf lag ik op een canapé. Ik werd heel vaak geportretteerd, want ik was van een soort Klimt-achtige schoonheid: Lulu.

Dan was ik absoluut behaagziek, zou voortdurend geknuffeld en verwend willen worden, aandacht willen krijgen. Maar mijn contacten waren vluchtig; ik houd niet van vermoeiende dialogen. Het vrouw-zijn stel ik me voor als een weelderige aangelegenheid. Niet steeds met een zwabber en een emmertje in de weer. Dat valt niet te rijmen met die chaise longue.

Ik had een uiterst gebrekkige opleiding genoten: de huishoudschool maar ik was wel intelligent en vooral waanzinnig aantrekkelijk, kon geraffineerd hiaten maskeren door snel een ironische opmerking te maken. Het liefst was ik een personage uit een van de boeken van Proust: zeer begerenswaardig en belezen met een aristocratische uitstraling. In mijn kinderkamertje hadden Miro's en Chagals gehangen.

Ik denk dat ik heel speels zou zijn. Een rijke weduwe of maîtresse. Want dat heb ik wel begrepen: het vrouw-zijn draagt fantastische mogelijkheden in zich. Als je aantrekkelijk en intelligent bent heb je altijd oudere mannen met veel geld om je heen waardoor je prachtig je gang kunt gaan. Ja, ik heb wel een hoerige kant. Ik zou lang en slank zijn. Niet te lang, maar geen kleintje, hoewel ik wel een heel klein hypernerveus joods vrouwtje in me heb. Ik zou me zeker opmaken. Mijn haar droeg ik opgestoken. Geen al te korte rokken, zodat ik voorover kon buigen en mijn benen over elkaar slaan zonder met alles te koop te lopen. Ik zou mooie lingerie dragen maar niet met van die omzoomde gaatjes, dus niet 'er op gekocht'.

Waarschijnlijk zou mijn leven bestaan uit doorlopende romances met passanten die links opkomen en rechts afgaan. Een femme fatale, maar vooral voor mezelf. Wat ik behoorlijk door elkaar zou halen: verliefd worden omdat iemand het op mij is. Ik zou Dietrich-achtige kuren krijgen. Wat ik zou willen hebben, kreeg ik. Mijn narcisme zou ik goed weten te camoufleren tot ik de buit binnen had. Het lijkt me vreselijk onappetijtelijk om achternagelopen te worden door iemand die hijgend aan de telefoon hangt en voor wie ik zelf niets voel. Als iemand te enthousiast is, word ik kregel. Nee zeggen is naar, vooral omdat je het risico loopt niet aardig te worden gevonden.

Nadat ik weduwe was geworden zou ik niet hertrouwen. Ik pakte wie ik wou. In bed zou ik heel gemakkelijk het initiatief nemen. Als iemand tenslotte in mijn slaapvertrek en bed terecht kwam, zou hij niet direct worden gegrepen maar bespeeld en gestreeld. Nooit in andermans bed: hier. Ik maak de regels. Eigenlijk zou ik op een kasteel moeten wonen want ik had meerdere slaapkamers, voor iedere minnaar een andere. Sommige waren strak ingericht, andere, als ik in een hoerige bui was, met Louis Seize-meubeltjes. De kamers werden gekozen aan de hand van het type dat ik ontving. Eén duizend-en-één-nachtkamer, één Franse van voor de revolutie en een kamer met hedendaagse kunst, Ik zou heel weinig alleen zijn. Alleen slapen zou ik als vrouw nog vreselijker vinden. Ik bleef beneden, waar mijn canapé stond, net zo lang lezen tot ik insliep, altijd onder een palm. Dan zou ik wakker worden in een prachtige pose.

Hoe ik niet zou willen zijn? Moet ik dat zeggen? Wat jammer, ik fantaseer veel liever hoe wèl... Niet klein, vooral niet van geest en niet bitter: zo iemand die zich jaloers afzet tegen de mooie dingen die anderen doen of bespreken. En als ik bolle kuitjes had en van die degelijke schoenen met een te korte rok waardoor je van die bobbelige knieën ziet, zou ik er direct een einde aan maken. Of als ik altijd binnen zou moeten zitten roken in een kamertje waar het onfris is achter een schermpje, zodat ik voortdurend lichtelijk overspannen was omdat ik zoveel papieren moest verwerken en het daglicht nooit zag.

Nee, ik zou een vrouw willen zijn met allure, ook op latere leeftijd, lang, slank en intelligent gekleed. In Engeland heb ik iemand van 83 ontmoet: Evelyn Barbirolli, hoboïste en vrouw van een dirigent. De laatste tijd heeft ze nooit meer een rok aan. Ze draagt altijd prachtige pantalons, wordt met het klimmen der jaren steeds meer man, rookt sigaren, drinkt whisky. Zo'n vrouw zou ik willen zijn als ik oud werd, statig en gebalanceerd en weloverwogen sprekend met een steeds lagere stem.

En op dit moment? Ik kan niet op een bepaalde vrouw komen omdat ik een te romantisch ideaalbeeld heb. Er is niemand die zo is. Dìe vrouw zou ìk zijn.