De kreukelzone van het middenveld

De foto op de voorpagina van NRC Handelsblad was onthullend. We zien Brinkman - een nadenkende hand onder zijn kin - in zijn werkkamer poseren voor een camera, die zelf ook in beeld is. De ene fotograaf legt het werk van de andere vast en je hebt het gevoel dat die reeks zich tot in het oneindige kan voortzetten. Dat Droste-effect wordt uitgelokt door de vorm die is los gezongen van de inhoud. Brinkman is verdwaald in het spiegelpaleis dat hij zelf heeft opgetrokken. Het verbaast ook niet dat hij een woordvoerder heeft die zelf nieuws wil zijn.

De lijsttrekker van het CDA is het slachtoffer geworden van zijn eigen geloof in de scheiding van vorm en inhoud. Al die aandacht voor presentatie heeft bij de kiezer vooral de verdenking opgeroepen van armoedige ideeën en een ondiepe ziel. Brinkman heeft zich uitgeleverd aan de wereld van de reclame, die nog steeds zweert bij de inmiddels dertig jaar oude platitude: 'the medium is the message'. Daarom is het falen van zijn mediamieke tactiek een zegen voor de democratie. Dat staat haaks op de traditie van christelijk plichtsbesef. Zo wordt hij door Kok op zijn eigen terrein verslagen: het Calvinisme.

Natuurlijk is het gekunstelde beeld dat van Brinkman is ontstaan onrechtvaardig, hoezeer hijzelf daaraan ook heeft bijgedragen. Hij is vast ook niet de voornaamste oorzaak van de ontluistering van het CDA. De wet van de remmende voorsprong heeft vat gekregen op de christendemocraten, die te lang hun macht als vanzelfsprekend hebben beschouwd. Zeker is ook dat men deelt in de negatieve publieke waardering van de afgelopen regeerperiode, waarvoor Brinkman niet de eerst verantwoordelijke is. En verder ondermijnen lange-termijn ontwikkelingen als de secularisering en de ontzuiling van Nederland nu ook het goed georganiseerde CDA.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de handelwijze van de KRO. Naast zakelijke berichtgeving, waarop niets valt af te dingen, wilde het programma van Reporter ook een bewijs van onafhankelijkheid leveren. Ziet U wel, we lopen niet aan de leiband van het CDA. Het doet denken aan een fameus artikel in de Volkskrant enkele jaren geleden over de neergang van de PvdA: 'Partij van de Afgang'. Het was naast een treffende diagnose, ook een teken van ontzuilingsdrift bij de Volkskrant. In beide gevallen ging het om een bevrijding die net iets te luidruchtig werd gevierd.

De confessionele belangen in Nederland hebben de ontzuiling totnogtoe goed overleefd door 'een hergroepering', zoals J.A.A. van Doorn schreef: “instellingen en organisaties van verschillende levensbeschouwelijke kleur sloten een interconfessioneel verbond waarin hun eigenheid dan wel oploste maar waarmee de zaak van het algemeen-confessionele belang niettemin bleef gediend” (De interventiestaat, 1984). Het CDA is natuurlijk het beste voorbeeld van deze defensieve hergroepering.

Ontleent het CDA zijn samenhang niet aan het gevoel een belaagde religieuze minderheid te vertegenwoordigen? Die defensieve mentaliteit gold zeker voor de oprichtingsperiode in de jaren zeventig toen een agressieve opvatting over de onvermijdelijke deconfessionalisering van de Nederlandse politiek hoogtij vierde. Gaandeweg maakte het CDA echter uit de nood een deugd en ontwikkelde een eigen kijk op de samenleving die beslist meer was dan afweer alleen.

Desondanks slaat de interne verbrokkeling toe nu de druk van buiten is weggevallen. Eigenlijk op het moment dat bijna iedereen zich tot in lengte van dagen had neergelegd bij de macht van de christendemocraten is de verwarring in die kring levensgroot. De 'frontmentaliteit' blijkt toch een onmisbare emotie voor christelijke partijvorming te zijn.

Misschien heeft het wegvallen van de rode zuil in de jaren tachtig nu ook de confessionele zuil aan het wankelen gebracht. Ik herinner me heel goed de ongeruste reacties bij de staf van de christelijke werkgevers organisatie toen ik daar zes jaar geleden eens een pleidooi afstak voor een vergaande ontzuiling van de sociaal-democratie, uitlopend in een samengaan met D66. Men besefte heel goed dat beide zuilen elkaar nodig hadden om te overleven.

Dat bange vermoeden is ook de achtergrond van Lubbers' vreemde uitval naar de partij waarmee hij regeert, de PvdA. Hij wil opnieuw appelleren aan het 'omsingelingscomplex' van katholieken en protestanten. Maar het werkt niet meer. 'Een zwenking naar links', roept Lubbers en iedereen kijkt verbouwereerd om zich heen: waar zou hij het in vredesnaam over hebben? Toch niet over Kok, toch niet over de PvdA anno 1994? Zijn kritiek riep dan ook niet de verhoopte reactie op. Zo wordt de premier op zijn eigen terrein verslagen: de consensuspolitiek.

Voordat hij zo sprak had Lubbers moeten beseffen dat gramschap één van de zeven hoofdzonden is. Nu het CDA zo onder druk staat, wordt pijnlijk duidelijk hoezeer in Nederland de schone schijn wordt opgehouden. Onder het vernisje van democratische omgangsvormen gaat de regenteske woede schuil van bestuurders die niet gewend zijn om gedwarsboomd te worden. De onheuse aanval op de KRO is geen prettig schouwspel voor al degenen, die graag in het fatsoen van regeerders willen geloven, ongeacht de partij die ze vertegenwoordigen. Dat verwijt treft niet alleen het CDA. De afgelopen jaren is Nederland ineens groezeliger geworden. Of misschien zien we het kleine en grote machtsmisbruik gewoon beter dan vroeger, omdat de elite niet meer zo gesloten is.

Alles verkeert nu in het tegendeel voor het CDA. Het zijn dezelfde mensen, het zijn dezelfde ideeën, maar plotseling is het aureool van vanzelfsprekende macht weggevallen. De ban is gebroken en we kijken anders. Naar de zorg waarmee Brinkman telkens zijn haar rechtstrijkt op momenten dat je zou denken dat hij heel iets anders aan zijn hoofd heeft. Waarom was me dat niet eerder opgevallen? Zo'n detail krijgt alleen betekenis in de huidige context van vallende macht en gekwetste ijdelheid. De blik is gevangen in de sleur van het nieuws en zoekt voortdurend naar bevestiging.

Tegen die verleiding van een selectieve kijk moet men zich wapenen. Sommigen, zoals Marcel van Dam, herhalen hun vergissing van eind jaren zestig, en schrijven te snel hun requiem. De christendemocratie is al vaker dood verklaard. Zo gemakkelijk is het echter niet. Het CDA is de eerste partij die in de jaren negentig een generatiewisseling aan de top heeft geprobeerd. Dat lijkt voorlopig op een mislukking uit te draaien. Maar Wolffensperger, Wallage of Linschoten zouden vergelijkbare problemen hebben als ze nu leider van hun partij zouden worden. De opvolgers zijn allemaal zondagskinderen in de politiek, die hun weg in de wereld van de macht en de media net iets te gemakkelijk kunnen vinden.

Ook zou men zich beter niet al te opzichtig kunnen verheugen over de scheuren in de CDA-zuil. Dat de boeren, tuinders en ouderen zich van hun partij afkeren, hoeft niemand te plezieren. Zonder de kreukelzone van het middenveld zal de botsing van belangen en generaties alleen maar harder worden. Wanneer die duizend-en-één dubbelfuncties tussen het CDA en maatschappelijke organisaties niet meer werken, zal de openheid en verantwoording onmiskenbaar toenemen; maar ook zal blijken dat een samenleving niet met parlementaire meerderheden alleen bestuurd wordt. Het zal de andere partijen nog veel moeite kosten om bijvoorbeeld de opstandige boeren of de grijze golf in het gareel te houden.

    • Paul Scheffer