CAREL WEEBER OVER Het kopen van pop-cd's

“Soms heb ik de absolute drang om een cd te kopen. Dan zit ik hier op het bureau en dan móet ik naar de platenzaak. Vaak weet ik dan niet wat ik ga kopen, maar ik moet dan even kijken. Dan struin ik wat door de bakken. Altijd sta ik stil bij de bak met de letter B, van Berg en Boulez. Ook bij Stravinsky kijk ik altijd even en bij Miles Davis. Van hem verschijnt veel nieuw werk sinds hij dood is.”

Carel Weeber (56), architect van onder meer de Peperklip en de gevangenis Overschie in Rotterdam en voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten, koopt al zijn hele leven platen en de laatste jaren ook cd's. “Ik heb geen verzamelaarsinstinct, maar het is handig om niet alleen op de radio aangewezen te zijn,” zegt hij. Weeber koopt niet alleen jazz- en klassieke-muziek-cd's - “ik ben me nu door de romantiek terug naar de klassieken aan het werken” - maar ook pop.

“Oorspronkelijk was ik niet geïntereseerd in popmuziek. Toen ik in de jaren vijftig studeerde, ging ik naar alle jazz-concerten in Scheveningen, naar Ella Fitzgerald, Miles Davis, Sonny Rollins, Chet Baker en al die anderen. Elvis is helemaal aan me voorbij gegaan, pas door The Beatles kreeg ik belangstelling voor popmuziek. Ik begon Hitweek te lezen, dat blaadje van André van der Louw en Willem de Ridder, en kocht alle platen die daarin werden besproken. Ik heb veel ervan nu ook op cd: Soft Machine, Jimi Hendrix, de Beatles en Stones natuurlijk, Jefferson Airplane, Spencer Davis Group, Pink Floyd.

“Begin jaren zeventig verloor ik mijn belangstelling voor popmuziek. De pop werd overgenomen door een jongere generatie en het is er toen volgens mij ook een tijdje slecht mee gegaan. Ik heb het niet meer gevolgd tot een jaar of zes geleden, toen ik Prince op de radio hoorde en zijn spectaculaire concerten op de tv zag. Prince heeft me weer op het pad van de pop gebracht.”

“Aan de hitparade-muziek heb ik geen boodschap, maar serieuze popmuziek, als je het zo kunt noemen, is net zo interessant als andere muzieksoorten. Het is niet meer zo dat ik alles koop wat in NRC Handelsblad wordt besproken. Maar alles wat ik koop, is wel besproken. Ik heb geen tijd om me overal in te verdiepen en dus ga ik af op recensies en laat me door de argumenten overtuigen. Op die manier heb ik platen van Nirvana, R.E.M., Metallica, Talk Talk, Living Colour, Queen Latifah gekocht. En Madonna en Prince, maar die kende ik al.

“Over Queen Latifah was de recensente niet eens laaiend enthousiast. Maar ze beschreef Queen Latifah als iemand die net buiten de gewoonlijke rap stond en teksten had, die zich in kwalitatief opzicht onderscheidden. Dan denk ik: 'Goh, dat wil ik wel eens horen'. De plaat van Nirvana werd uitgeroepen tot de beste plaat van 1991 en wat mij betreft is het inderdaad buitengewoon goede muziek. Met R.E.M. ging het weer iets anders. De naam deed me natuurlijk denken aan Rem Koolhaas; helemaal mooi werd het toen ik later hoorde dat je de groep niet 'rem' maar 'er-ee-em' moet noemen, net zoals je Koolhaas' bureau OMA als 'oo-em-aa' moet uitspreken.”

“Als ik een cd heb gekocht, neem ik hem op een bandje op en dat draai ik dan een week lang in de auto. Met name aan muziek die je eerst niet zo bevalt, kun je dan wennen. Ik ben ervan overtuigd dat muziek die ingewijden aanprijzen voor je er zelf van gehoord hebt, op den duur ook altijd de moeite waard is. Het is me dan ook nog nooit overkomen dat een pop-cd me tegenviel.

“Vooral Metallica en Nirvana en de rappers benijd ik. Ik ben er jaloers op dat die lui zich zo agressief kunnen uiten. Dat kan in mijn vak niet, zo recht voor zijn raap werken. Wat dat betreft zou ik wel zo'n soort muzikant willen zijn: uit je dak gaan met het maken van irritant lawaai.”

    • Bernard Hulsman