Amsterdam door wind en verkeer doof voor Alarm van Peter Schat

Het is zondagmiddag iets na één uur als op de Varkenssluisbrug in het hartje van Amsterdam een taxi zich een weg baant door een kleine menigte. De chauffeur stuurt kordaat zijn bumper tegen het achterlicht van een fiets midden op de brug en haalt zich daarmee de woede van de eigenaar op de hals. Die stond net aandachtig te luisteren naar de Sweelinck-fantasie van Albert de Klerk, gespeeld door Todd Fair op de beiaard van de Oude Kerk.

De fantasie van De Klerk opende het concert voor de drie carillons die samen de première gaven van de compositie Alarm voor beiaard(en) en luidklokken opus 40 van Peter Schat. Vanwege het concert was het gebied rond de brug over de Oudezijds Voorburgwal tot stiltegebied uitgeroepen, maar de politie was er niet in geslaagd voor een waterdichte afzetting te zorgen. Zo nu en dan wrong er toch een auto tussen de mensen door, dan weer overstemde een claxon de klokketonen.

Het verkeerslawaai was maar een van de hindernissen voor de ongeveer tweehonderd luisteraars. De beiaard van de Oude Kerk was redelijk goed te horen, maar het spel van beiaardiers Arie Abbenes van het Paleis op de Dam en Bernard Winsemius van de Zuiderkerk verwaaide goeddeels in de koude noordwestenwind. Het 'stilteconcert', dat was bedoeld als voorspel voor een Wereldconcert volgend jaar op alle beiaarden in de wereld (zo'n 380) in het kader van de vijftigste herdenking van het eind van de Tweede Wereldoorlog, kreeg daardoor vooral het karakter van een gehoortest. Het werd allengs duidelijk dat Schat zich had verkeken op de eigenaardigheden van de urbane akoestiek.

Het idee achter Alarm is echter prachtig. De drie carillons zouden een ruimtelijk web van klanken moeten weven als verzet tegen het toenemende rechts-extremisme en de etnische spanningen in de wereld. Schat baseerde zijn beiaardcompositie op het thema van het lied “Est-ce Mars le grand Dieu des Alarmes que je vois”, waarover ook Jan Pieterszoon Sweelinck een aantal variaties componeerde. Dit thema duikt een aantal malen op in een grillige en soms virtuoze textuur die is opgebouwd uit de uren van de Toonklok, de door Schat zelf ontwikkelde harmonieleer. De uren van de Toonklok staan voor de twaalf drieklanken die er op de twaalf chromatische tonen in het octaaf kunnen worden gevormd.

Voor de luisteraars op de brug bepaalden de door Todd Fair knap gespeelde loopjes op het carillon van de Oude Kerk het gezicht van het stuk. De stemmen uit de beiaards van het Paleis op de Dam en de Zuiderkerk bleven een vaag klankdecor. De drie beiaardiers konden elkaar horen via een radioverbinding tussen de torens. De radioverbinding was onontbeerlijk vanwege de hoge eisen die de partituur stelt aan het samenspel. Het ruimtelijke effect van Alarm werkte het sterkst in de slotpassage waarin de drie beiaardiers worden begeleid door de grote luidklokken van de drie torens. Even was de lucht vol van zingend klokgebeier.

Nadat de drie beiaardiers afwisselend zeven variaties van Sweelinck over “Est-ce Mars” hadden gespeeld, werd Alarm herhaald. Tijdens de herhaling uitte Schat luidruchtig zijn ontevredenheid over de ontbrekende verkeersafzetting, om vervolgens door de omstanders tot stilte te worden gemaand.

Waarschijnlijk was het concert wel geslaagd op een vroeger tijdstip, voordat het verkeer op gang komt. Om die reden was aanvankelijk gekozen voor elf uur, maar dan zou de klokmuziek de kerkgangers in de Oude Kerk hebben kunnen storen. In de stilte van de ochtend waren de details van Schats Alarm duidelijker te horen geweest. Eenmaal ontwaakt, leek de stad doof voor het signaal van een verontruste componist.

    • Peter Peters