Afscheid van Nederland (8)

Lieve Marileen

Ik vertel je niets nieuws als ik zeg dat we er allemaal onze eigen dromen op nahouden. En dan heb ik het niet over het prozaïsche rijtje gezondheid, geld en liefde, want uit ervaring weten we dat we het in het leven altijd zonder één ervan, en soms zonder alle drie moeten stellen. Nee, ik bedoel de dromen waarvan je de vervulling wenst met berekende bescheidenheid: een béétje geluk, een béétje vrede, een béétje rust... Zo denken we de godheden te overtuigen dat we hen niet meer lastig zullen vallen zodra we dat beetje hebben. Maar niets is minder waar. En als de goden, die onze hebzucht maar al te goed kennen, ons de bevrediging van een lang gekoesterde wens gunnen, doen ze dat meestal via een omweg.

Je brief vol romantische ideeën over hoe rustig en bucolisch mijn leven hier in het dorp wel moet zijn, toverde een glimlach bij me te voorschijn vanwege je naïviteit, en bevestigde de juistheid van wat ik hierboven schrijf.

Zo maak ik, nu ik bijna een maand hier zit - nog niet om mijn droom te verwezenlijken maar als test, om te kijken of ik wel bestand ben tegen de schok van de verandering - een van die fasen van gevaarlijke twijfel mee die iedereen kent. Wat is de goede beslissing? Hier terugkomen om me definitief te vestigen, de banden met Nederland, waar ik me veertig jaar thuis heb gevoeld, volledig verbreken? In Amsterdam blijven? Doorgaan zoals nu, met als een nachtmerrie de tienduizenden kilometers autoweg voor me die ik heen en terug al heb afgelegd? Zal ik dat beetje vrede, dat kleine beetje rust waar ik naar hunker wel vinden?

Laat me je om mijn twijfels toe te lichten een klein voorval vertellen dat zich hier bijna dagelijks herhaalt. Tito en Hilda, mijn buren, staan op zo gauw het licht wordt. Op twee passen van mijn slaapkamerraam beginnen ze dan de ezel voor de kar te spannen waarmee ze naar de markt gaan. De ezel verzet zich koppig en het duurt lang om hem kalm te krijgen. Tito wordt kwaad om niks. Hilda is zo doof als een kwartel.

Een halfuur lang blijft het beest balken en slaan, terwijl het echtpaar schreeuwt, vloekt en de kar vollaadt - die van ijzer is en galmt als een carillon. Een andere buurvrouw, Rosa, wenst hen over de tuinmuur heen goedemorgen en levert met luide stem, anders hoort Hilda het niet, commentaar op de bewolkte hemel, vertelt gedetailleerd een nare droom die ze heeft gehad, belooft voor de kippen en het varken te zorgen.

Ik ben dan al lang wakker geschrokken en heb me minstens tien keer omgedraaid in een vergeefse poging om weer in slaap te komen. Zo gauw Tito's honden, vier of vijf bijtgrage magere scharminkels, zien dat de kar klaar is om te vertrekken, beginnen ze in koor te blaffen omdat ze mee willen. Maar na nog meer gekrijs van de baasjes en een paar fikse trappen, begrijpen ze dat ze moeten blijven om op het huis te passen. De zweep kletst neer op de rug van de ezel, de kar ratelt langzaam weg, Rosa roept 'goeie reis' en de honden zetten het op een janken zodra ze zien dat ze alleen zijn.

Het is bijna halfzes en met mijn slaap is het afgelopen. Ik zet het andere raam open, dat aan de bergkant, en het uitzicht is werkelijk bucolisch. Maar op dat moment stel ik me voor hoe prettig het zou zijn in Amsterdam in mijn bed te liggen, prinsheerlijk slapend door de stilte waar dubbele ramen voor zorgen.

Moge alles je gaan als in een droom

    • J. Rentes de Carvalho