Wilt u hier even tekenen?

Persoonlijke financiële planning (pfp) neemt alle zaken onder de loep, kijkt naar wensen en eisen, risico's die men loopt en bepaalt daarna een koers om een (gezins)vermogen uit te bouwen en te beschermen. Zo hoort het.

Je kan het beschouwen als een piramide, die zich vanuit de top splitst in tweeën. Een rendementdeel (bij voorbeeld: met hoeveel moet mijn vermogen groeien om een gewenst kapitaal voor later op te bouwen) en een risicodeel.

Die delen splitsen zich in vele verschillende risicostukken en doeleinden. Zo detailleer je verder naar beneden en ergens aan de basis kom je misschien uit op beleggen in aandelen, via een of meer beleggingsfondsen, een fiscale constructie die vijftien jaar of langer intact moet blijven of rechtstreeks op de beurs.

Adviseurs en aanbieders van veelbelovende produkten (jaarlijks rendement vaak in de dubbele cijfers, afgeleid van historische resultaten, soms niet eens door hen zelf behaald) gebaseerd op aandelen en andere risicovolle waarden (bomen in een ver, warm land die daar met 25 procent per jaar wèl tot in de hemel groeien) vinden uitgebreide, objectieve pfp hinderlijk: het vertraagt de besluitvorming en brengt mensen misschien op verkeerde ideeën. Het volk moet een handtekening zetten en niet denken.

Daarom hanteren ze in gesprekken, publicaties en hartelijke brieven, vaak onbewust, een piramide met aandelen aan de top en overlijden, arbeidsongeschiktheid, pensioen, uitkeringen voor nabestaanden, fiscaliteit, koersrisico's, beschikbaarheid van het spaarsaldo en andere zaken daaraan ondergeschikt. Hun doel, het verkopen van een produkt of dienst waar je jaren aan vastzit, staat voorop (dat levert provisie op) en heiligt de middelen. Voor de consument, en ook gezien vanuit pfp, staat de piramide op z'n kop. Wankel dus. Zo hoort het niet.

Kom je na een juiste analyse tot de conclusie dat een deel van je geld in bij voorbeeld aandelen mag - het risico is niet te groot en misschien levert het een fraai en onbelast rendement op - dan komt het er op aan te kiezen hoe je belegt: zelf, in beleggingsfondsen of via een langlopende fiscale constructie.

Waarop de keus ook valt, het is verstandig om van te voren iets te weten over beurs en beleggen om de volgende essentiële fout te voorkomen.

Geen verstand van risico en rendement. Beleggingen staan bloot aan verschillende (negatieve) risico's: het ingelegde geld kan om verschillende redenen in waarde verminderen en de opbrengst kan tegenvallen; een bedrijf keert geen dividend meer uit. Het rendement bestaat meestal uit onbelaste koerswinst en belaste rente en dividenden. De belastingdruk (risico) drukt sterk op het rendement.

Beleggingsvormen als edele metalen, liquiditeiten, onroerend goed, obligaties, aandelen, opties en termijncontracten hebben elk een kenmerkend risico/rendement-profiel.

Een spaarrekening (liquiditeit) tegen 5 procent geeft 100 gulden aan belastbare rente (rendement) per jaar op een bedrag van 2000 gulden. Dit bedrag kan niet in waarde verminderen. Bijna geen risico, hoewel inflatie stiekum steeds wat van de koopkracht knabbelt. De bank vraagt geen kosten.

Een bedrag in staats- of bedrijfsleningen geeft 6 à 7 procent rente, afhankelijk van het type lening. Daar gaan vanaf de kosten bij aankoop (eenmalig), het jaarlijkse bewaarloon en de kosten bij verkoop, eveneens eenmalig. De waarde van obligaties gaat op en neer met de rente(verwachting): stijgt de rente dan dalen de koersen (een risico) en wanneer de rente daalt, lopen de koersen op. Het rendement bestaat uit de onbelaste koerswinst (wanneer de rente daalt) en belaste rente. Kosten en inflatie spelen een rol als risicofactor.

De waarde van een eigen huis volgt als regel de inflatie en loopt soms extra op door extra vraag (zoals nu voor bepaalde typen). Het vraagt kosten voor onderhoud en geeft een negatief rendement, omdat over het huurwaardeforfait inkomstenbelasting betaald wordt.

Iedere belegging moet vóór het zetten van een handtekening of het geven van een kooporder op risico en opbrengst worden bekeken. Wie dat niet zelf kan (aan sommige produkten zitten haken en ogen) moet dat uitgebreid vragen aan de betreffende adviseur of aanbieder. Die zal dit graag moeten willen doen.

Een tweede fout betreft de toekomstige winstverwachtingen. De aanbieders schroeven die flink op, zoals bekend. Niemand weet of ze gelijk hebben. Zelfs zij niet. De tijd zal het leren. Op dit punt kan men verkopers eveneens ondervragen over de waarde van hun voorspelling. Ga dan uit van een risicoloze opbrengst op staatsobligaties tussen de 5,5 en 7 procent. Alle voorstellen die meer beloven, impliceren meer risico. Daar is niets op tegen, maar je moet de grenzen kennen en de schade kunnen dragen. Pas dan moet je tekenen of kopen.

    • Adriaan Hiele