Vertrek emigrantenzonen einde van Nederlandse successen; IJshockey kan nog dieper zinken

ROTTERDAM, 16 APRIL. De laatste minuut van de wedstrijd tegen Zwitserland, afgelopen maandag bij het wereldkampioenschap voor B-landen, was misschien wel illustratief voor de malaise waarin het Nederlandse ijshockey zich dit seizoen bevindt. De nationale ploeg had in Kopenhagen twee man méér op het ijs dan de vorig jaar uit de A-groep gedegradeerde Zwitsers, maar wist daar geen raad mee. Door knullig puck-verlies kon Zwitserland in de slotseconden zelfs nog counteren. En ondanks de numerieke minderheid de Nederlandse defensie uitspelen en de doelman passeren. Niet dat die treffer er nog veel toe deed: Het team van bondscoach Larry van Wieren keek toen al tegen een kansloze achterstand van 9-0 aan.

Na een seizoen waarin de kwalitatief zwakke nationale competitie voornamelijk werd gekenmerkt door spelers die meer oog hadden voor elkaar dan voor de puck, leek het WK het podium bij uitstek om de in diskrediet gebrachte sport weer positief onder de aandacht te brengen. Van Wieren, die zes debutanten in zijn selectie heeft, had vooraf getekend voor een zelfde eindklassering als verleden jaar. Toen werd Nederland op het WK in eigen land derde. Maar al na twee speeldagen bleek die hoop ijdel. De nederlaag tegen Zwitserland werd vooraf gegaan door krappe verliespartijen tegen het gastland (5-3) en Polen (6-4). Donderdag was Letland te sterk, maar de 4-2 uitslag viel volgens Van Wieren “alleszins” mee. Eerder hadden de Letten, die in Soltoks een speler hebben die voor de Boston Bruins in de Noordamerikaanse profcompetitie NHL speelt, al met 22-0 van China gewonnen. Nederland kwam tegen de zwakke Aziaten niet verder dan een zege van 8-3. Een teleurstellend resultaat, maar in ieder geval voldoende voor handhaving in de B-poule.

Degradatie zou voor Van Wieren, die na het zondag aflopende toernooi terugkeert naar zijn geboorteland Canada, ook een al te wrang afscheid van het Nederlandse ijshockey hebben betekend. Als international was de zoon van Nederlandse emigranten een van de steunpilaren van het Oranje-team dat precies vijftien jaar geleden voor een enorme verrassing zorgde door wereldkampioen in de B-poule te worden. Door dat resultaat dwong de ploeg niet alleen deelneming aan de Olympische Spelen van Lake Placid in 1980 af, maar mocht Nederland ook acte de présence geven op het WK voor A-landen een jaar later. Het was een kortstondig avontuur op het hoogste niveau. Het walhalla van het internationale ijshockey bleek verschillende maten te groot.

Het verval kwam daarna snel. Van de B-poule degradeerde Nederland direct naar de C-poule. Voor één jaar slechts - net als overigens in 1989 - maar sindsdien vervult Oranje niet meer dan een rol in de marge. En zijn zelfs landen als Frankrijk en Engeland, die Oranje niet zo lang geleden met het grootste gemak opzij zette, Nederland inmiddels voorbij gestreefd. De concurrentie zal alleen maar groter worden, nu zich de afgelopen jaren verschillende 'nieuwe' landen met een enorm ijshockey potentieel als Slowakije, Oekraïne, Kazachstan en Wit-Rusland bij de internationale bond hebben aangemeld. Dit jaar komen zij nog uit in de C-poule, maar de verwachting is dat zij binnen enkele jaren tot het selecte gezelschap van de A-landen zullen horen. En dan wordt het dringen in de B-poule, waarvan Nederland wel eens de dupe zal kunnen worden, beseft ook Van Wieren.

“Nederland is een klein ijshockeyland. De successen van rond de jaren tachtig kwamen vooral omdat veel in Canada geschoolde Nederlandse emigrantenzonen, die net als ik een dubbel paspoort hadden, deel uitmaakten van Oranje”, zegt hij. “Toen die jongens stopten met topsport, bleek dat er in Nederland zelf nauwelijks talenten rondliepen.” Van Wieren laat een voorzichtig verwijt richting de Nederlandse ijshockeybond horen, die zich volgens hem tot zijn komst in 1988 als bondscoach nauwelijks bekommerde om de jeugd. “Er werd te lang van uit gegaan dat er geen eind zou komen aan de beschikbaarheid van Nederlandse-Canadezen voor Oranje. Dat die de kar wel zouden blijven trekken. Maar die toestroom van emigrantenzonen houdt natuurlijk een keer op. Daarnaast was het ook geen goed uitgangspunt een team rond hen op te bouwen, omdat het Nederlandse talenten demotiveert. Die wisten natuurlijk dat ze toch nauwelijks voor selectie in aanmerking kwamen, omdat die Nederlandse-Canadezen meestal toch net even iets beter waren. Eén van mijn voorwaarden om als bondscoach aan te treden was dan ook dat ik aan een team zou kunnen werken met louter Nederlandse jongens.”

Die vrijheid werd Van Wieren toegezegd, maar hij kreeg al gauw te maken met de beperkte mogelijkheden waar wel meer kleine sporten in Nederland mee kampen: Onvoldoende financiële mogelijkheden en internationals die hun sport moeten combineren met een baan of studie. “Voor het wereldkampioenschap in Denemarken”, zegt Van Wieren, “hadden we een trainingskamp in het buitenland belegd, maar dat moest worden afgezegd omdat het gros van de spelers geen vrij kon krijgen van hun werkgever.” Een aantal centrale trainingen was het alternatief. “Behelpen dus”, klinkt het kort vanaf zijn hotelkamer in Kopenhagen.

Van Wieren betwijfelt of er in de toekomst veel zal veranderen. Daardoor durft hij ook niet te voorspellen of Nederland nog lang deel zal uitmaken van de B-poule. “Ik kan alleen maar hopen dat het enige jaren geleden geïnitieerde jeugdstimuleringsplan positieve effecten zal hebben. Hoewel er in Nederland zeker enige talenten rondlopen, blijft het altijd de vraag of ze ook zullen doorbreken. Maar los daarvan: Als je de situatie hier vergelijkt met alleen al de landen die na de veranderingen in Oost-Europa zijn ontstaan, moet je erkennen dat het potentieel en de mogelijkheden beperkt zijn. Dat je blij mag zijn als je een B-land kunt blijven.”

    • Paul de Lange