Vaste haas liep in Rotterdam voor het eerst door de muur

ROTTERDAM, 16 APRIL. Vincent Rousseau wist niet dat hij door de muur heen kon lopen. Hij liep wedstrijden in het bos, op de baan en op de weg, van vijf kilometer tot maximaal 25 kilometer. En hij liet zich inhuren om als haas in de eerste kilometers van een marathon het tempo aan te geven voor het groepje kanshebbers. Iedere kilometer in drie minuten en één of twee seconden.

De 32-jarige Belg was de afgelopen jaren een van de vaste hazen in de Rotterdamse marathon. Morgen is hij een van de favorieten. Hij ontdekte vorig jaar in Rotterdam tot zijn verbazing dat hij ook een complete marathon aankan. Hij was wederom haas, maar weigerde in de finale op te geven en liep door de muur heen. “Als ik daar vijf jaar eerder was achter gekomen, had mijn leven er heel anders uitgezien.”

Zijn ervaring in Rotterdam veranderde zijn leven. Hij brak met zijn trainer en met trainingsschema's, ging drie maal op hoogtestage en bevrijdde zich van de verplichtingen die de Belgische atletiekfederatie hem oplegde. Prompt boekte hij de grootste successen uit zijn carrière. Hij won vorig jaar in Brussel het wereldkampioenschap op de halve marathon, won twee weken later de marathon in Reims in een prachtige tijd van 2.09,13 en verbeterde zijn persoonlijke record twee maanden geleden in Tokio met zeven seconden.

Net zoals de Keniaanse en Ethiopische atleten in dienst zijn van de landmacht of de politie is Rousseau korporaal in het Belgische leger. Hij ziet er niet uit als militair met zijn tengere loperspostuur. Hij kan niet stilzitten en beweegt voortdurend zenuwachtig met zijn handen. Hij is 1.75 meter lang en weegt 59 kilo. Zijn donkerblonde haar hangt in een Suske en Wiske-kapsel boven zijn heldere blauwe ogen. “Korporaal is van geen belang”, zegt Rousseau in het Vlaams. Hij heeft nog nooit een geweer in zijn handen gehad. “Ik schiet graag, maar alleen met mijn luchtbuks. En nooit de vogel.” Hij moet ieder jaar het wereldkampioenschap voor militairen winnen, maar hoeft verder niets te doen voor zijn werkgever. “Ik ben een ambassadeur van de sport. Het is beter om in de sport te strijden dan in het terrein.”

Morgen krijgt hij onder andere te maken met de Zuid-Afrikaan Willie Mtolo (winnaar van New York 1992), de Portugese tweeling Dionisio en Domingos Castro, de Japanner Hiromi Taniguchi (wereldkampioen 1991) en de Nederlander Marti ten Kate. Bij de vrouwen ondervindt de 42-jarige Carla Beurskens concurrentie van de Chinese Yemei Li en de Japanse Miyoko Asahina.

De marathon bevalt Rousseau uitstekend. “Ik wist niet wat het was. Vorig jaar in Rotterdam ging ik nog helemaal kapot, maar door een goede training ging het al veel beter in Reims en Tokio.” Om uit te leggen waar de marathon om draait heeft hij een vergelijking bedacht. De eerste 25 kilometer moet de atleet ontspannen blijven. Het begin loop je op benzine, vertelt Rousseau. Als je niet goed bent voorbereid loop je het laatste stuk op margarine. Klopt de training dan kan je in de laatste kilometers overschakelen op diesel.

Rousseau traint in België en in de bergen. Hij brak vorig jaar met zijn trainer en loopt sindsdien op gevoel. Hij weet als hij de deur uitstapt vaak nog niet wat hij die dag gaat doen. Geen schema's, maar gewoon zoveel lopen als hem bevalt. Hij gaat laat naar bed en staat laat op. De enige begeleiding die hij krijgt is medisch. Na iedere wedstrijd laat hij zijn bloed onderzoeken. Valt het resultaat tegen dan neemt hij rust, kloppen de cijfertjes (over bijvoorbeeld ijzergehalte) dan traint hij lekker door.

Hij zoekt sinds vorig jaar bovendien voor belangrijke wedstrijden de bergen op in Zuid-Frankrijk. Een hoogtestage van minimaal tien weken in Font Romeu. Daar woont hij in een klein kamertje van twee bij drie en maakt hij in zijn vrije tijd foto's. In zijn woonplaats Jurbise, in de buurt van Mons, heeft hij vlak bij zijn huis een bos, een atletiekbaan en een golfbaan waarop hij mag trainen, ter beschikking.

Vorig jaar raakte hij verlost van de bemoeienissen van de Belgische atletiekfederatie, die hem naar allerlei wedstrijden stuurde waar hij niet heen wilde. Hij kan niet tegen de hitte. Van de bond moest hij in 1991 echter per se naar het wereldkampioenschap in Tokio en in 1992 naar de Olympische Spelen in Barcelona, hoewel Rousseau wist dat hij daar niet zou presteren. “Dat heeft me twee jaar van mijn leven gekost. Je komt zonder motivatie terug, je bent mentaal gebroken.” Een jaar geleden raakte hij het juk van de bond kwijt. “De bond heeft gedacht: Er is niets meer te doen met deze gast. Hij volgt toch altijd zijn eigen ideeën. En nu ben ik vrij, vrij, vrij.”

Hij kiest zijn marathons op het parcours, daarna pas op het beschikbare startgeld. De Rotterdamse marathon staat te boek als een snel parcours. In 1985 verbeterde de Portugees Carlos Lopes het wereldrecord op de Coolsingel tot 2.07,12. In 1988 liep de Ethiopiër Belayneh Densimo - een uitzonderlijk talent dat bijzonder gedisciplineerd trainde met een groep landgenoten - in Rotterdam een tijd van 2.06,50, nog altijd de snelste tijd ter wereld.

“De prestaties zijn de laatste jaren wat minder geworden”, zegt Rousseau. “Een tijd van 2.07 zie je niet veel meer. Er zijn volgens mij twee redenen. De parcoursen zijn beter gemeten dan vroeger, er zijn strengere controles van de IAAF. En vroeger had je geen dopingcontroles in de marathon.”

Rousseau zou morgen graag een tijd van 2.08 willen lopen in Rotterdam. Maar toen gisteren het weerbericht bekend werd, schrok hij van de wind. Verwacht wordt dat de lopers in de eerste kilometers windkracht vier tot vijf moeten trotseren. In de laatste kilometers hebben ze wind mee. “We moeten misschien met een grote groep vertrekken”, meent Rousseau. “Dan kunnen de hazen en de lopers elkaar beschermen tegen de wind.” Over de verwachte temperatuur is hij tevreden. Het wordt niet warmer dan tien graden celsius.

“Een marathon kan je het beste zo regelmatig mogelijk lopen, ook al verlies je in het laatste deel altijd tijd”, vertelt de Belg. “In Tokio begon ik met 3.02 minuut per kilometer, in Reims met 3.01 per kilometer. In beide wedstrijden kwam ik op dezelfde tijd uit. In de laatste kilometers kan je niet meer versnellen. Daar loopt iedereen in zijn eigen tempo. Iedereen zit aan zijn maximum, je kan niet sneller.”

Hij wil de komende jaren telkens twee marathons per jaar gaan lopen. Rousseau weet nu al dat het op de Olympische Spelen in 1996 in Atlanta waarschijnlijk te warm is voor hem. Daarom hoopt hij door te kunnen gaan tot de Spelen in 2000 in Sydney. “Carlos Lopes was ook 38 jaar toen hij het wereldrecord liep. Dus het kan.”