Socio-historie

G. van den Bergh, Ch. Lorenz en R. Pieterman (red.): Het recht van de geschiedenis. Historische dimensies in sociaal-wetenschappelijk onderzoek van recht

208 blz., VUGA 1993, ƒ 42,50

De relatie tussen de sociale wetenschappen en de geschiedschrijving was er lange tijd een van haat en liefde. Historici misprezen de sociale wetenschappen om hun ongefundeerde synthesen, maar leerden diezelfde generalisaties te gebruiken om hun materiaal te ordenen. Sociologen keken neer op de 'onwetenschappelijke' analyses van historici, maar konden niet zonder diezelfde verhalen als inspiratiebron voor hun weidse hypothesen.

In de laatste jaren lijkt de relatie te verbeteren en daarbij is de rechtsgeschiedenis een van de disciplines waar de Koude Oorlog tussen de sociale wetenschappen en geschiedschrijving duidelijk aangenamer temperaturen bereikt. Onder de titel 'Het recht van de geschiedenis. Historische dimensies in sociaal-wetenschappelijk onderzoek van recht' is een reeks artikelen gebundeld waarin de auteurs zich bewegen aan beide zijden van de lijn die ooit geschiedenis scheidde van sociologie en antropologie. Historici gebruiken antropologische en sociologische ideeën. Antropologen proberen 'lokale kennis', kennis in een historische context, te begrijpen. Sociologen combineren modellen van structurele ontwikkelingen met begrip voor wat individuele mensen drijft.

Wie deze rechtsgeschiedenis ter hand neemt hoeft niet bevreesd te zijn voor specialistische verhandelingen over wetjes en regels of hoogdravende beschouwingen over rechtvaardigheid. Naast historische en filosofische beschouwingen over de relatie tussen de geschiedenis, antropologie en sociologie zijn de artikelen vooral pogingen om op grond van juridische bronnen greep te krijgen op de veranderingen in menselijk gedrag op langere termijn.

Het artikel van Pieter Spierenburg over moord en doodslag toont aan hoe nuttig ideeën en methoden van de sociale wetenschappen kunnen zijn om zicht op het verleden te krijgen. Met een scherpzinnige analyse van gerechtelijk bronnenmateriaal komt hij tot een bevestiging van de stelling van de socioloog Norbert Elias dat in de Westerse cultuur emoties geleidelijk worden verbannen uit de publieke omgangsvormen en beperkt tot het gezin. Minder emoties, minder moorden. Maar ook: andere moorden. Spierenburg constateert een sterke daling van het aantal moorden tussen 1200 en 1900 (van rond de 50 tot onder de 2 per 100.000 inwoners per jaar). Bovendien hebben die levensdelicten steeds minder de vorm van impulsieve actie tegen buitenstaanders. Steeds vaker betreft het voorbedacht geweld tegen de eigen familie.

Spierenburgs geschiedenis van levensdelicten zou geen vorm hebben zonder een breder kader als dat van Elias. Veel historici meenden vroeger te kunnen vertellen hoe het echt is geweest, zonder hun materiaal te ordenen met eigentijdse begrippen. De pennestrijd die zij voerden tegen de sociale wetenschappen liet veel licht in kale ruimten schijnen. Nu lijken geschiedschrijvers, behoudens een enkele geestelijke dinosaurus, zonder schroom de sociale wetenschappen te plunderen. Het vervagen van de grenzen tussen wetenschappen en het taboe op het blijvend innemen van een standpunt, kortom de zegeningen van onze karakterloze cultuur, brengen ons in een gezelliger huis vol duistere hoeken. Wie ruimte geeft aan het recht van de geschiedenis verliest aan vastigheid en wetenschappelijke zekerheden, maar wint aan bont leven.

Na lezing van het boek vraagt de lezer zich af of de titel - historische dimensies in sociaal-wetenschappelijk onderzoek van recht - gelukkig is gekozen. Te spreken van een historische verdieping van een sociaal-wetenschappelijke benadering lijkt een understatement. In de meeste artikelen is sprake van puur historisch onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van sociaal-wetenschappelijke methoden.

Dit roept een dringende vraag op: indien de grenzen tussen geschiedenis en sociale-wetenschap inderdaad verdwijnen, zullen deze produkten dan nog als 'sociologie' of 'antropologie' gelden? Als historici werkelijk het naïeve realisme opgeven en sociale wetenschappers inzien dat structuren uitsluitend bestaan in een proces in de tijd, zou het niet behoeven te verbazen dat de sociale wetenschappen goeddeels opgaan in de geschiedschrijving. En daar zitten ze niet kwaad. Sociologen die 'het recht van de geschiedenis' willen ontlopen zullen hun heil moeten zoeken in het verwarde heden - de journalistiek en het wereldje van adviezen voor overheid en bedrijf.