Roemenië wacht op nieuwe generaties; Niemand durft blazoen al te reinigen van Ceausescu

In het oosten dreigt een conflict met de Russen over Moldavië, in het westen smeult een meningsverschil met de Hongaren over Transsylvanië. In het zuiden woekert een oorlog in het buurland Joegoslavië. En in Roemenië zelf heeft de dictatuur diepe sporen getrokken. Maar de Roemenen zijn Latijnen en blijven optimistisch. Boekarest is voor hen de navel van de wereld, een kruispunt tussen oost en west, tussen Turken, Slaven en Hongaren. Vier jaar na de revolutie blijft Roemenië een Oostblokstaat tussen wanhoop en weemoed. En een paradijs voor aan lager wal geraakte westerse zakenlui.

Vijfennegentig is de grootmoeder van de dichter Mircea Dinescu en dus ouder dan de eeuw. Ouder dan de eeuw, maar niet groter dan anderhalve meter. Veel kleiner kan ze niet geweest zijn toen ze als schoolmeisje keizer Franz Joseph mocht toejuichen. Ze kan bijna onder de monsterlijk grote zwarte Deense dog heenlopen, die misschien nog wel het minst exotische levende wezen is in huize Dinescu aan de Boulevard der Piloten in Boekarest.

Mircea zelf, een donkere kwajongen van vierenveertig jaar met een ironische oogopslag, is dichter en Roemeen. Zijn vrouw Natalia is half-Russisch, half-Hongaars. Zijn inwonende schoonouders zijn een Russische grande dame uit Sverdlovsk in de Oeral en een gesoigneerde Hongaar uit Transsylvanië, met een grijs ringbaardje en een vanzelfsprekende handkus. Mircea's twee kinderen tenslotte spreken alle talen door elkaar. Een typisch Middeneuropees gezin.

Mircea Dinescu was het enfant terrible van de Roemeense revolutie. Of, zoals de Engelse bloemlezing van zijn gedichten (Exile on a Pepper Corn) ronkend op het omslag vermeldt: “Under House Arrest for 100 Days; Carried in Triumph on an Armoured Car when Securitate Fled; First to Tell the Rumanians they were FREE!” We laten het verleden en de heroïek rusten.

“Ik ben ziek van hun verleden en ziek van hun heden”, zegt Dinescu over president Ion Iliescu en zijn sociaal-democratische, lees ex-communistische regeringspartij PSDR. “Maar er is niks aan te doen: het zijn de oude partijactivisten die de nieuwe maatschappij bouwen. Ze passen zich nu eenmaal sneller aan dan wij. De oppositie bestaat uit schrijvers en intellectuelen, die vechten met geesten uit het verleden of een narcistisch en suïcidaal ping-pongspel met elkaar spelen.” Hij zegt het voor de vuist weg, maar het klinkt als een dichtregel uit zijn angry-young-man-periode, toen hij schreef: “Als idioten eetbaar waren, zou er bij de slager een minder lange rij staan voor intellectuelen.”

We eten Roemeense geitekaas en drinken zelfgemaakte wijn. Op de achtergrond klinkt in eindeloze herhaling de pianoles van dochter Irina. Grootmoeder gaat met haar herinneringen in de keuken aan de afwas. Een gewone zaterdagavond in Boekarest.

Dinescu bespot regering en oppositie in zijn populaire satirische weekblad Academia Catavencu, dat zo op het oog met heel wat knip- en plakwerk tot stand moet komen. En hij geselt extreem-rechts, “het smerigste verschijnsel in onze post-revolutionaire wereld”. Zoals in alle voormalige oostbloklanden, flirt ook de Roemeense regering met rechtse partijen als PUNR (Partij van Roemeense Nationale Eenheid) van de burgemeester van Cluj, Gheorghe Funar, of de PRM (Partij van Groot Roemenië) van Corneliu Vadim Tudor. “We dachten dat Ceausescu zoveel nationalisme in zijn propaganda had gestopt dat de mensen er van zouden walgen, maar dat is helaas een misrekening gebleken.” Toch is Dinescu niet al te somber gestemd. De oplage van extreem-rechtse bladen als România Mare (Groot Roemenië) loopt terug. Burgemeester Funar heeft zichzelf gecompromitteerd door zich in te laten met een oplichter, die de bevolking van Cluj en omgeving met een louche kansspel het onwaarschijnlijke bedrag van 1105 miljard lei uit de zak heeft geklopt om vervolgens onder te duiken.

Er is zojuist trouwens een kleine, maar niet onbelangrijke overwinning geboekt: premier Nicolae Vacaroiu heeft vier ministers in zijn kabinet vervangen, onder wie twee militairen. Al komen de vier nieuwe ministers allemaal uit de regeringspartij, toch is dit een succes voor de oppositie te noemen. De minderheidsregering, voor steun afhankelijk van gelegenheidsallianties, was namelijk serieus in onderhandeling met extreem-rechts over deelname aan een coalitie. Die onderhandelingen zijn stukgelopen. Druk uit het westen heeft hierbij, denkt Dinescu, zeker een rol gespeeld. “Extremisme is in Europa niet populair en ook onze machthebbers willen fashionable lijken. Ze gebruiken nu woorden die nog maar twee jaar geleden alleen door hun meest onverzoenlijke tegenstanders in de mond werden genomen.”

Hoewel de verpaupering in het straatarme Roemenië overal zichtbaar is (de inflatie was vorig jaar bijna 300 %), zijn de Latijnse Roemenen volgens Dinescu hun gevoel voor humor nog niet kwijt. “Mijn grootste hoop ligt niet in de politiek, maar in de menselijke natuur. Die is gelukkig springlevend. Kijk naar de markten. Onder Ceausescu waren ze dood omdat de boeren er hun produkten niet wilden verkopen tegen de veel te lage staatsprijzen, nu bloeien ze als nooit tevoren. En ook de nieuwe rijken zullen op den duur bescherming, en dus beschaving willen.”

De pianoles van Irina is afgelopen. De lerares ziet scheel van vermoeidheid. Om een beetje redelijk in haar onderhoud te kunnen voorzien maakt ze tot laat op de avond overuren.

Later die week controleer ik zijn woorden op de markt in een van Boekarests buitenwijken. Inderdaad is er van alles te koop, maar de klanten draaien elke lei wel drie keer om voor ze hem uitgeven. De 66-jarige Veta Tache uit het dorp Vacaresti verkoopt kruiden uit eigen tuin. Geld heeft ze niet en ze heeft het dan ook erg koud gehad in de winter. Vijfendertig jaar in de kolchoz levert haar nu een pensioentje op van 4500 lei (kleine drie dollar). Ter vergelijking: het minimumloon is 30.000 lei, maar van minder dan 60.000 kun je slecht rondkomen. Bij haar kinderen hoeft Veta ook niet aan te kloppen om hulp, want die weten zelf niet hoe ze het hoofd boven water moeten houden. Gelukkig is een van haar dochters getrouwd met een officier, dat brengt een beetje vastigheid in de familie. Op de markt verdient ze zelf per dag zo'n duizend lei. Achthonderd daarvan betaalt ze als pachtsom aan de marktmeester. En toch verlangt ze absoluut niet terug naar Ceausescu, want die stond op het punt haar dorp met de grond gelijk te maken.

Steigers

In Boekarest ruikt het nog naar Oostblok, de trammetjes knarsen door de bocht, het aantal westerse auto's is te verwaarlozen en in de hotellobbies hangen hoeren en zwarthandelaren rond. Op straat zitten zigeunerinnen, hun babies stijf ingebakerd, wiegend met hun bovenlijf te bedelen. Zwerfjongens schooieren langs de winkels. Oude mannen dragen hoge Astrachan bontmutsen op hun verweerde koppen. En in Lipscani, het domein van de zigeuners in het oude hart van Boekarest, handelt men in al wat los en vast zit, in witkanten bruidsjaponnen, steeksleutels, damesondergoed en autobanden.

Vier jaar na de revolutie staat de kapotgeschoten universiteitsbibliotheek op het Plein van de revolutie nog in de steigers. Het grote Athenée Palace-hotel, met zijn communistische facade-met-kogelgaten is voor renovatie gesloten. Het monstrueuze Volkspaleis hangt aan het eind van de drie kilometer lange Boulevard van de Eenheid nog steeds als Ceausescu's onvoltooide dictatorsdroom boven de stad. De eindeloze trappen, over een lengte van tientallen meters begroeid met onkruid, worden bewaakt door eenzame schildwachten. Een Jacobsladder naar een lege hemel. Maar binnen gaat de bouw door. Eens moet hier het parlement van het vrije Roemenië zetelen.

Woedend kan architecte Mariana Celac worden als ze erover begint. De Speer van Ceausescu noemt ze Anca Petrescu, de hoofdarchitecte van het Paleis der Volkeren, deze 'Felliniaanse nachtmerrie', dit 'fossiel van megalomane eclectische Franse architectuur van eind vorige eeuw'. Het is, zegt Celac, een toonbeeld van totaal verlies aan maatgevoel, stijl en artistieke coherentie. Maar Petrescu staat nog steeds pal achter haar creatie. “Er is altijd een ongezonde verhouding tussen de dictator en zijn architect. Ceausescu was een simpele geest en hij werd ook nog eens gek. De laatste dertien jaar van zijn leven heeft hij een bijzonder soort imperiale architectonische projecten op stapel gezet voor die plaatsen waar de macht moest functioneren.”

Hoe stuitend Celac het gebouw ook vindt, ze zou het onjuist vinden als het monstrum zou worden afgebroken, want “iedereen in dit land heeft ervoor moeten bloeden”. Maar het parlement mag hier niet zetelen, dat zou van dezelfde megalomanie getuigen. Het wordt tijd dat de bodemloze put gedempt wordt. Hoofdstedelijke architecten ijveren nu voor een conferentieoord of een handelscentrum. “Het moet een plaats worden waar geld wordt gemáákt, niet waar nog meer geld wordt geabsorbeerd”, aldus Celac.

Ook Celac is voorzichtig optimistisch over de toekomst en verwacht dat over een jaar of vijf, met het aantreden van de nieuwe generatie, de eerste vruchten zullen kunnen worden geplukt. “De huidige machthebbers zijn een uitstervend ras van patriarchen. Ze staan niet bepaald aan de zonnige kant van het leven. Dat de jeugd nu afhaakt is normaal. Het is een wijd verbreid misverstand dat je jeugd een tijd van optimisme is. Jong zijn is eerder erg dramatisch, het is een tijd van wanhoop en van crisis. Maar ik heb het gevoel dat ze hun spieren aan het oefenen zijn.”

Op een heuvel niet ver van het paleis staat het oude negentiende-eeuwse parlement. Een mooi gebouw dat met zijn mengelmoes van oosterse en westerse stijlen laat zien hoe Azië en Europa in Boekarest met elkaar getrouwd zijn geraakt. Naast het parlement, dat het opschrift Camera Deputatilor draagt, staat de oude Roemeens-orthodoxe kathedraal van Boekarest. Hier ligt het lichaam van de Heilige Dumitru in een reliekschrijn. Van zijn ingebakerde mummie zijn slechts twee vingerkootjes zichtbaar, door een smoezelig kijkglaasje, waarop de gelovigen vol overgave hun kussen drukken. “In 1989 wilde Ceausescu de lijkkist weg laten halen. Twee maanden later was hij dood. Gods woede heeft hem neergemaaid”, zegt vader Maxim vriendelijk glimlachend. Vader Maxim is kwistig met spreuken. Over Ceausescu's bewind orakelt hij: “Waar de zon niet binnentreedt, moet de dokter komen. Waar God niet binnentreedt, duikt Satan op.” Terwijl hij de gelovigen, die na Dumitru's kootjes ook zíjn hand komen kussen, zegent met een houten stokje, vertelt hij hoe de orthodoxe kerkmuziek hem tot het geloof heeft gebracht. Ze gaf hem een gevoel van grote innerlijke rust en vrijheid. Hoe de orthodoxe kerk de communistische dictatuur heeft doorstaan? “Wees wijs als een slang en zacht als een duif”, zegt vader Maxim en dat is zijn zalvende omschrijving voor stille collaboratie.

Bewakingsdienst

Voor het Nationale Theater staan sinds enkele dagen een kleine honderd houten kruisen opgesteld, bekleed met witlakense hemden, die met rode verf zijn besmeurd. Ze zijn er neergezet door studenten, die de slachtoffers van de omwenteling wilden herdenken. Volgens de regering zijn er in die decemberdagen van 1989 1046 doden gevallen. Mihai Oroveanu, die me bij de ingang van het theater opwacht, is zes vrienden kwijtgeraakt tijdens die 'massahysterie'.

Oroveanu is groot, dik, draagt gemillimeterd grijs haar en een baard en gaat in zwart leer gekleed. Hij is directeur van Artexpo, een galerie en exportkantoor voor moderne kunst. Hij heeft tachtig man in dienst en de zaken gaan met ups en downs. Omgerekend bedraagt zijn salaris DM 80,- per maand, maar gelukkig valt er af en toe wat bij te verdienen, bijvoorbeeld door de verkoop van een partij Roemeense wijn of de vervaardiging van doodkisten. Een enkele keer mag hij een buitenlandse handelstentoonstelling inrichten en dat levert dan weer zoveel dollars op dat hij zijn personeel een jaar lang uit kan betalen. Van de mafia heeft hij geen last. Kunst is voor hen hier, anders dan in Rusland waar sprake is geweest van een kunst-boom, kennelijk niet interessant genoeg. Toch heeft Oroveanu voor alle zekerheid wel een eigen bewakingsdienst en informele, vriendschappelijke contacten met wat oud-sportlui, op wie hij kan rekenen als de nood aan de man komt.

Op verzoek opent een magazijnbediende een opslagplaats en daar komen ze te voorschijn, het ene schilderij na het andere. Hij kan er desnoods een heel museum mee vullen. Ceausescu met Elena, Ceausescu met arbeiders, Ceausescu met boeren, burgers, buitenlui, Ceausescu als borstbeeld, Ceausescu als denker en filosoof, als Vader des Vaderlands. De meeste doeken zijn abominabel geschilderd, maar hier en daar is het een kladschilder gelukt op Ceausescu's conterfeitsel een glimp Mefistofeles te vangen. Oroveanu weet niet goed wat hij met de metershoge doeken aanmoet. Voorlopig staan ze niemand in de weg, en dus schuift de magazijnbediende ze maar weer in het rommelhok.

Voor zover Oroveanu weet waagt geen enkele historicus zich in Roemenië al aan een biografie van de dictator. De tijd voor evenwichtige geschiedschrijving is nog niet gekomen. De walging is nog steeds te vers en het schuldgevoel waarschijnlijk te groot. Niemand wil die beerput opentrekken. Want Roemenië heeft een geschiedenis van oorlog: de overheersing door de Turken en de Russen, de eeuwigdurende strijd om Transsylvanië, het fascisme van de IJzeren Garde, het rechtse bewind van de pro-Duitse generaal Antonescu en tot slot de communistische dictatuur.

Geschiedenis is een wonderlijk ding, zegt Oroveanu. Neem nou zijn vader. Eerst vocht hij met de Duitsers tegen de Russen, die na het Molotov-Ribbentroppact Bessarabië (Moldavië) hadden ingepikt, daarna met de Russen tegen de Duitsers. “Mijn vader is veel radicaler en agressiever dan ik. Na de dood van Ceausescu zei hij: we hadden ze allemáál stuk voor stuk moeten doodschieten.”

Hoe gevoelig Roemenen over hun geschiedenis zijn bleek later op de dag bij een half-serieus twistgesprek met de vrouw van een bekende dichter. Ik memoreerde Dracula, de vampier en gruwelgraaf uit Transsylvanië. De roman van Bram Stoker heeft de Roemenen in hun ziel geraakt. Ceausescu gaf zelfs ooit een heel legertje historici de opdracht Stokers 'geschiedvervalsing' te weerleggen. Maar ook normale Roemenen zijn niet gecharmeerd van deze smet op hun blazoen. Dracula heeft inderdaad bestaan, maar was geen naargeestige vampier, zo betoogde de dame, maar een gewaardeerde Turkendoder, bijgenaamd De Spietser, omdat hij er behagen in schepte zijn slachtoffers op palen gespietst een langzame dood te laten sterven.

Retoriek

Wonderlijk genoeg speelt in Roemenië de oorlog in het buurland Joegoslavië nauwelijks een rol van betekenis. Het land lijdt sterk onder de economische sancties tegen Joegoslavië, maar over de oorlog zelf lijken de Roemenen zich geen zorgen te maken. Ze schudden het hoofd over zoveel nodeloos geweld, maar kunnen zich niet voorstellen dat zoiets zich ook in hun zonovergoten vaderland zou kunnen voordoen. Ondanks de spanningen tussen Roemenen en Hongaren zijn Joegoslavische toestanden, zo verzekert iedereen om het hardst, in Roemenië uitgesloten.

“Wij zij Latijnen, we zijn wat ontspannener dan Joegoslaven”, zegt Mariana Celac. “In Joegoslavië is het een combinatie van Slavische toewijding aan een grote zaak, mediterraan bloed en een mengsel van godsdiensten. Die combinatie is vrij uniek.” De laatste keer dat het tussen Roemenen en Hongaren echt uit de hand is gelopen was in maart 1990. Bij etnische rellen in Tîrgu Mures vielen toen drie doden. Maar de meeste mensen zijn ervan overtuigd dat dit een opzettelijke poging is geweest om de politieke situatie te destabiliseren. De Hongaren in Roemenië (2 miljoen) wonen vooral in Transsylvanië, dat in het hart van het land ligt. Territoriale eisen worden vooralsnog door Hongarije niet gesteld.

“De verhoudingen tussen Roemenen en Hongaren zijn in het parlement veel gespannener dan in het land”, denkt Andrei Plesu, filosoof, hoofdredacteur van het weekblad Dilema en tot voor kort minister van cultuur in het eerste postcommunistische kabinet. “Er zijn genoeg krankzinnige Roemenen en krankzinnige Hongaren om een conflict te creëren, maar er is geen parallel met Joegoslavië. Er is hier geen consistente religieuze of nationalistische fragmentatie.” Toch vreest Plesu voor extreem-rechts. “Elke Roemeen is gevoelig voor historische retoriek. Tudor heeft een soort dierlijke macht, hij heeft een overtuigende, larmoyante manier van spreken. De nationalistische partijen verheerlijken Ceausescu steeds openlijker. Mensen vergeten zo snel!” Plesu heeft Iliescu twee maanden geleden een open brief geschreven uit protest tegen zijn ontmoeting met de Russische fanaticus Zjirinovski. U collaboreert met iemand, die de knecht was van de man die u hebt laten executeren, aldus Plesu in die brief. Hij vindt Iliescu een simpele communist, die flink gefrustreerd is geraakt door de genadeloze kritiek van de oppositie. “Iliescu is bekrompen, maar een zekere eerlijkheid kun je hem niet ontzeggen. Je kunt alles tegen hem zeggen, maar sommige intellectuelen vallen hem zo fel aan dat ze hem in de armen van de tegenpartij drijven. Ook de oppositie is door het communisme vergiftigd. Ze kan over de autoriteiten alleen maar spreken als over een stelletje oplichters en zakkenvullers. Iedereen zoekt overal altijd wat smerigs achter. Compromis is in Roemenië nog steeds een vies woord.”

Toch ziet Plesu ook hier lichte vooruitgang. “Toen ik bij de installatie van het kabinet als minister van cultuur president Iliescu een hand gaf, werd ik door half Boekarest voor verrader uitgekreten. Nu gaan de partijleiders van de oppositie met de president op staatsbezoek. Jullie moeten een beetje geduld met ons hebben. De medicijnentoevoer stopzetten zal de patiënt niet helpen.”

Aan zijn ministerschap denkt Plesu met lichte weemoed terug. Omdat het ministerie van cultuur een bij uitstek ideologisch bolwerk was, lag het voor de hand direct de hele staf te ontslaan. Plesu verving dus driekwart van het personeel door intelligente energieke mensen, maar liep vervolgens met zijn kop tegen de muur. “Ik vergat dat ik bestuurders nodig had, mensen met ervaring. Uiteindelijk moest ik kiezen tussen zeer efficiënte schurken en zeer impotente engelen.” Inmiddels is het ministerie van cultuur tot Plesu's verdriet weer een bolwerk van Ceausescu-adepten geworden.

Roemenië is arm en dus corrupt. Dat trekt de loeders van het kapitalisme aan. In de hoerenbar van hotel Intercontinental zit een Amerikaan. Douglas is 32 en doet al zes jaar zaken in Boekarest. Hij handelt in cassettedecks en naar zijn zeggen heeft het hem geen windeieren gelegd. Douglas is klein, miezerig, dronken en snoeft. Drie weken per maand zit hij in dit godvergeten oord, vrouw en kind ziet hij nauwelijks, maar als hij nog even door gaat kan hij binnenkort rentenieren. Hij doet het voor het geld, zegt hij, en zo te zien uit machtswellust. De portier met de gouden tressen komt bij hem knipmessen. Douglas geeft hem een sigaret en schuift hem een omvangrijk bankbiljet toe. Ze eten uit mijn hand, wil hij maar zeggen. “Roemenen zijn grote schoften, oplichters en misdadigers,” zegt Douglas grijnzend. “Als ik er twee ken die fatsoenlijk zijn is dat veel. Alleen de Bulgaren zijn nog erger. Zelf ben ik ook een schoft. Zolang je maar geld maakt. Kijk, in Roemenië bén ik iemand. Rubbing shoulders with the president.”

Dit is hem dan, in volle glorie: de koning in het Rijk van de Tomeloos Ontwaardende Lei.

    • Laura Starink