Rechtschapen, integer, onbaatzuchtig

Geoffrey Beard: The Compleat Gentleman. Five Centuries of Aristocratic Life 224 blz., geïll., Rizzoli 1993, ƒ 124,90

Hoewel Engeland zich tegenwoordig nauwelijks drijvend weet te houden, bracht het ooit de vier pijlers van de Westerse beschaving voort: het parlement, de vrije pers, het wolkje melk in de thee en de gentleman. Daarvan zijn de eerste drie een zegen voor de mensheid en is de laatste een bodemloos raadsel.

Niemand weet wat een gentleman is, maar er was een tijd dat iedereen er een wilde zijn. Tegenwoordig is de gentleman uit de gratie als cultuurideaal en dat is geen wonder, want waar de civilisatie oprukt, verdorren de aspiraties vanzelf. Toch lag nog geen honderd jaar geleden menig Brits jongetje 's nachts in bed te tobben of hij wel kon voldoen aan die vage maar veeleisende sociale rol die voor hem in het verschiet lag. Destijds was Engeland een natie die onvoorwaardelijk geloofde in de gentleman. En net als bij elke religie was de essentie ervan ongrijpbaar en mysterieus, maar beslist niet licht verteerbaar. No essence, all substance: dat heeft de gentleman gemeen met de plum-pudding en de Cup Final op Wembley - en daarmee is misschien het grootste deel van de Britse cultuurgeschiedenis verklaard.

De Nederlander staat een beetje met zijn mond vol tanden tegenover de gentleman. Waarschijnlijk denkt menigeen bij het begrip aan weinig meer dan middelbare mannen in knickerbockers en haar uit hun neusgaten. En anders blijven we wel steken bij veel te beperkte omschrijvingen als 'een heer van stand' of 'een edel, infatsoenlijk man', zoals de Van Dale probeert (maar met het banale woord 'fatsoen' alles een zeepachtige bijsmaak geeft).

De moeilijkheid om het begrip in al zijn dimensies te bevatten, is niet verwonderlijk. In zekere zin is de gentleman altijd een soort culturele anti-materie geweest: juist de angst er geen te zijn, was de essentie ervan. Het begrip was ongewis, maar had de schijn van eindeloze onkreukbaarheid, en de Engelsen hadden er genoeg aan om er hun wereldrijk mee te bouwen.

Beschimmeld

Die tijd is voorbij, en dezer dagen ligt het gentleman-ideaal er gehavend, beschimmeld en bijna vergeten bij. Toch doortrekken de laatste resten ervan nog altijd hardnekkig ons waardenstelsel - ook als we allang niet meer in de bus opstaan voor een dame. Misschien rechtvaardigt dat de enorme hoeveelheid boeken die over het onderwerp is geschreven. Die stroom gaat ten minste terug tot 1622 toen Henry Peacham zijn invloedrijke The Complete Gentleman publiceerde; een belangrijke tussenbalans was Daniel Defoe's The Complete English Gentleman (1729), en het voorlopig eindpunt is het onlangs verschenen The Compleat Gentleman van Geoffrey Beard, academicus uit Lancaster en kenner van het Engelse landhuis in al zijn facetten. Dat de gentleman-vorsers originele titels voor hun studies kiezen zal niemand beweren, maar dat zij een interessante discipline beoefenen, staat buiten kijf.

Beard concentreert zich in zijn prestigieus vervaardigde werk vooral op de aristocratische oorsprong van de gentleman. Voor het gemak neemt hij de zestiende eeuw als startpunt. In die tijd begon de Engelse aristocratie met de bouw van de enorme landhuizen, die nu zo vaak het decor van BBC-televisieseries vormen. Toentertijd was de bedoeling voornamelijk om koningin Elizabeth I te verleiden tot een overnachting tijdens haar zomerse trektochten. Hoewel sanitaire voorzieningen veelal ontbraken (een stoet bedienden rende voortdurend de trappen op en af met volle en lege po's), gaf zo'n bezoek niet alleen status maar ook een directe band met de troon, die altijd van pas kon komen.

De 'great houses' zijn in menig opzicht de architectonische neerslag van de stabiliteit - sommigen zeggen rigiditeit - van de samenleving aan gene zijde van de Noordzee. Die is opmerkelijk gezien de ingewikkeldheid van de Britse klassenmaatschappij in het algemeen en van de aristocratie in het bijzonder. Op het continent was er weinig meer dan adel en gepeupel, en de kloof daartussen was slechts door revolutie en bloedvergieten te overbruggen. De Engelse maatschappij was daarentegen een doolhof waarin de hoop op een uitgang naar een hogere etage altijd was ingebakken.

Gedrang

Hiervoor zijn vele redenen aan te geven, en Beard noemt er helaas geen enkele. Van belang is dat na de onderwerping van Engeland door Willem de Veroveraar een strak feodaal systeem ontstond waarin de adel niet steeds door de koning hoefde te worden omgekocht met privileges. Bovendien werd het landbezit steeds integraal doorgegeven aan de oudste zoon. Heel wat edellieden moesten dus hun tijd vullen met studie, een carrière in het leger of zelfs een gewoon baantje. Parallel daaraan was er een grote mobiliteit in de lagere sociale echelons. Vanouds kende Engeland een grote stand van vrije boeren die soms aanzienlijk landbezit verwierven. Zo ontstond een sociale ladder met uitermate veel treden, waarop het een gedrang van jewelste werd.

In 1583 probeerde Sir Thomas Smith in zijn verhandeling De Republica Anglorum het labyrint in kaart te brengen. “Van de gentlemen,” schreef hij, “zijn er allereerst de koning, de prins, de hertog, de markiezen, de graven en de baronnen - dit is de nobility, en zij worden allemaal lords en edellieden genoemd -, daarna zijn er de ridders, de esquires en de simpele gentlemen.” Een eeuw later probeerde men de chaos nog simpeler uit te drukken: “All noblemen are gentlemen, though all gentlemen are not noblemen,” luidde toen een samenvatting van de Engelse samenleving.

Duidelijk is dat het begrip gentleman van meet af aan ambivalent was. Oorspronkelijk was in 1413 bepaald dat de laagste maatschappelijke rang die een familiewapen mocht voeren gentleman zou heten. Het mooie was dat deze titel de koning geen cent kostte, want de gentlemen moesten wel betalen voor hun heraldisch recht en ze kregen ook gewoon een belastingaanslag. De eerste gentleman die bekend is in de geschiedenis (maar blijkbaar niet bij Beard) is ene Robert Erdeswyke uit Stafford. Hij had bij de Slag van Agincourt op 25 oktober 1415 nog geholpen de Fransen te verpletteren, maar werd kort daarna aangeklaagd wegens moord, vanwege het feit dat hij iemand “in stukken had gehakt terwijl die op zijn knieën om genade smeekte”. Erdeswyke verdedigde zich tijdens het proces met de opmerking dat hij een 'gentilman' was, en zo debuteerde het begrip met een daad die bepaald ungentleman-like was.

Onderwijl keek de oude adel met argusogen naar de opmars van wat zij beschouwde als parvenu's en snobs. Uit zelfverdediging werden af en toe aristocratische zuiveringen doorgevoerd. Zo werd in 1671 bij wet geregeld dat iemand beneden de rang van esquire geen eigen jachtopziener mocht benoemen. Daarmee was de gentleman gediskwalificeerd. Hij mocht dan wel tot de nobility behoren, tot de aristocracy zou hij niet zomaar doordringen.

Dit waren echter achterhoedegevechten. De gentleman was allang bezig van een titel tot een cultuurideaal te worden en daarmee te ontstijgen aan de adelsboekjes. De gentleman had niet zomaar ordinair blauw bloed, hij was adellijk van zichzelf. Sterker nog, zijn inborst was zo nobel was dat hij automatisch rechtschapen, integer en onbaatzuchtig werd - en vice versa. Daarom gedroeg hij zich van nature hoffelijk tegenover vrouwen (en inlanders), was hij rechtvaardig ten opzichte van zijn ondergeschikten, die hij dank zij een vanzelfsprekend gezag tot grootse daden aanzette, kon hij boksen, cricketen en jagen als de beste, kende hij zijn klassieken, was hij tot studie geneigd, maakte zonder met zijn ogen te knipperen reizen naar de Oriënt, was religieus maar gematigd en bovenal tolerant, verdedigde koningin en vaderland doch in de eerste plaats zijn eer, en behield onder iedere omstandigheid zijn stiff upperlip.

De gentleman was, kortom, een utopische mengsel van klassieke, christelijke en renaissancistische idealen dat volstrekt bovenmenselijk was, maar een enorme aantrekkingskracht uitoefende op zowel adel als burgerij. Hier lag een gedragscode die de aristocratie de illusie van exclusiviteit bood en iemand zonder titel de hoop op sociale vooruitgang. Status bleek niet langer louter afhankelijk van landbezit of rijkdom.

Langdradig gevecht

Het bezinken van het gentleman-ideaal was uit de aard der zaak niet binnen veertien dagen beklonken. De Engelse geschiedenis is weinig meer dan een langdradig gevecht van de aristocratie tegen de oprukkende werkelijkheid, en wij weten dan wel dat de aristocratie vanaf het begin aan de verliezende hand was, maar dat wist de aristocratie zelf niet. Pas in de negentiende eeuw werd de gentleman definitief een nationaal cultuurstreven. Zo komt het woord talloze malen voor in de grote romans uit die tijd, van George Eliot, Anthony Trollope, William Thackeray en Charles Dickens, en meestentijds slaat het dan op lieden zonder adellijke titel maar met een onberispelijk karakter.

Soms wordt erop gewezen hoezeer het ridderlijke gentleman-ideaal een substituut was voor de morele imperatieven van het christelijk geloof. De relatie tussen kerk en adel in Engeland is nooit zonder spanning geweest, en als gentleman beschikte men over een gedragscode zonder doctrinaire bemoeizucht van de geestelijkheid. Het ideaal bood echter ook een uitstekende gelegenheid aristocratische aspiraties als mannelijkheid en weerbaarheid te combineren met christelijke waarden als zelfbeheersing en mededogen. Iemand als Thomas Arnold, de grote schoolhervormer en schrijver van het invloedrijke jongensboek Tom Brown's School Days hoopte zelfs zijn landgenoten op te voeden tot 'christian gentlemen'. Dominee Smythe-Palmer deed daar 1892 nog een schepje bovenop in zijn The Ideal of a Gentleman, een duizelingwekkende verzameling definities van het begrip.

Het is geen toeval dat het beeld van de alleskunnende, avontuurlijke maar gedisciplineerde en gezag uitstralende man naadloos paste in de behoefte die het imperialistische Britse rijk had om de halve wereld onder de duim te houden. De zelfbeheersing en ridderlijkheid tegenover vrouwen kwam bovendien goed uit in een tijd dat mannen vaak pas omstreeks hun dertigste huwden, nadat zij eerst dienst hadden gedaan in de koloniën. Toch is het veel te mager het gentleman-ideaal louter te bezien als produkt van de Victoriaanse tijd. De gentleman is in feite de vleeswording van het proces van verburgerlijking: hij vertegenwoordigde ernst, stabiliteit, arbeidslust, leergierigheid, rationaliteit, vooruitgangsgeloof en misschien wel bovenal het vermogen om behoeftebevrediging te reguleren. Het ging kortom over de overwinning van de geest over de materie, van karakter over lust, van de mens over de maatschappelijke krachten.

Dat er ooit volmaakte gentlemen hebben rondgelopen zal niemand volhouden, maar het is wel onweerlegbaar dat sociaal-democratie, liberalisme en christen-democratie alle wortelen in het ideaal. Zo staat de gentleman aan de basis van wat wij thans beschouwen als een beschaafde samenleving.

De tragedie was uiteindelijk dat hoe meer mensen zich als gentleman wilden gedragen, des te ingewikkelder en onbereikbaarder de codes werden. Voorheen heette iedereen die zijn vrienden op een goede fles wijn tracteerde al gauw een gentleman, maar omstreeks 1900 was het ideaal een volstrekt onbevattelijke obsessie geworden. De kwestie vond zijn oplossing in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Daar werd niet alleen een generatie weggevaagd maar ook het ideaal waarmee zij tevergeefs was opgevoed. De twintigste eeuw bleek geen tijdperk voor gentlemen, niet voor stiff upperlips en misschien ook wel niet voor Engeland.

Koestering

Het is jammer dat Beard in zijn prachtig geïllustreerde werk voor dit alles weinig aandacht heeft. Hij richt zich volkomen op het leven van de aristocratie en de koestering daar van het gentleman-ideaal als een attribuut van de eigen klasse. Hij weet mooi te vertellen van de exuberante inrichtingen van de 'great houses', de militaire organisatie van het personeel en de opulente maaltijden die soms uit een gang of vierenzestig bestonden (en dan praten we alleen over het ontbijt). Maar hij heeft geen oog voor de mystieke aantrekkingskracht van een ideaal dat een hele natie, en in zeker zin een heel continent, lange tijd van culturele smeerolie voorzag.