Prikkelend lenteweer

Eduard Bomhoff: Een Haagse lente? 116 blz., Academic Service Rotterdam 1994, ƒ 19,90

De blijde boodschap van prof. Eduard Bomhoff, hoogleraar monetaire economie aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit, luidt dat welvaartsgroei voor het grijpen ligt. Lagere belastingen en grotere economische vrijheid leiden tot hogere groei, tot meer werk en hogere besteedbare inkomens. In Een Haagse lente?, een politiek-economisch pamflet, bepleit Bomhoff de “ijzeren gordijnen van de Nederlandse economie” open te trekken. Zijn blijmoedige kijk op economische liberalisatie blijkt in de inleiding: 'het grote nieuws' van het einde van de twintigste eeuw is dat vijf miljard mensen deelgenoot zijn van de open wereldeconomie. Zoveel potentiële handelspartners bieden Nederland als handelsnatie de kans op een nieuwe gouden periode in zijn economische geschiedenis.

Bomhoff gelooft niet in bedreigingen maar in kansen. Tegenover de gangbare opvatting in Nederland - “het land dat het snelst goedkoper wordt kan het meest exporteren” - stelt hij: “het land dat het snelst groeit, kan zich het best hogere lonen permitteren.”

Het Nederlandse sociaal-economische beleid is erop gericht goedkoper te worden ter versterking van de internationale concurrentiepositie. Dat heeft wel meer werk opgeleverd, maar niet meer welvaart. Nederland verloor de afgelopen twintig jaar tien procent aan welvaart op het Europese gemiddelde. Daarmee is 56 miljard gulden aan potentiële welvaartsgroei blijven liggen. “Het land met de meeste loonmatiging ging (relatief) het hardst achteruit in welvaart,” stelt Bomhoff vast. Hij bestrijdt dat voortzetting van loonmatiging het aangewezen middel is om de Nederlandse economie sneller te laten groeien. Loonmatiging moet niet de inzet zijn van beleid, maar de resultante van een vrijere arbeidsmarkt.

Omzwervingen

De boodschap van Een Haagse lente? is enigzins dubbelzinnig. Dat komt doordat Bomhoff een helder doel heeft - lagere belastingen - maar daar met omzwervingen op uitkomt. Aan de ene kant stelt hij vast dat de Nederlandse economie er in 1994 veel beter voorstaat dan in 1980: het financieringstekort is lager, de staatsschuld minder bedreigend, de banengroei indrukwekkend, de financiële positie van het bedrijfsleven gezonder. Nederland faalde echter, aldus Bomhoff, waar het ging om veranderingen in de verstarde structuur van de collectieve sector en toelating van concurrentie in de sociale zekerheid.

Wat zijn de oorzaken van de hoge collectieve lasten en stagnatie van de welvaartsgroei? Bomhoff noemt er drie, die lezers van zijn veertiendaagse rubriek in NRC Handelsblad bekend voorkomen: de VUT, de arbeidstijdverkorting en de hoge marginale wig, het verschil tussen bruto loonkosten en netto inkomen. VUT en ATV waren de prijs waarmee de vakbeweging begin jaren tachtig werd afgekocht om in te stemmen met loonmatiging. Bomhoffs oplossing is verlaging van de belastingen en premies. Het gebrek aan enthousiasme dat hiervoor tot voor kort onder economen bestond, wijt Bomhoff aan het inmiddels vervangen rekenmodel van het CPB, waarin de positieve economische effecten van lagere lasten niet waren opgenomen.

Het nieuwe CPB-model geeft wel aan dat lastenverlaging leidt tot meer binnenlandse groei. Tegenover een besparing op de collectieve sector van één miljard gulden staat een extra groei van 2 à 2,5 miljard gulden in de private sector. Dit betekent “dat een overheidsbesteding meer dan twee keer zo aantrekkelijk moet zijn voor de gemiddelde belastingbetaler als een uitgave die hij of zij zelf kan doen, omdat anders die gemiddelde belastingbetaler beter af is wanneer de overheid zo'n uitgave stopt en met het uitgespaarde geld de belasting- en premiedruk verlaagt.” Zijn conclusie is dat de minister van financiën veel meer de minister van lagere belastingen moet zijn.

Bij de sociale zekerheid stelt Bomhoff vast dat Nederland “gehecht is aan genereuze sociale uitkeringen en aan een menselijke uitvoeringspraktijk”. De bezuinigingen die nodig zijn om een premieverlaging te kunnen realiseren, zoekt hij daarom bij de organisatie van de sociale zekerheid. Hier laat hij een inzicht los dat hij elders wèl gebruikt: de werking van prikkels. Ook voor de afnemers van sociale zekerheid geldt dat ze zich laten leiden door financiële prikkels. Elk aanbod schept zijn eigen vraag. Dat verklaart onder meer waarom ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in Nederland zoveel hoger zijn dan in andere landen.

Bomhoff richt zijn pijlen in het bijzonder op het GAK en de Sociale Verzekerings Raad. Als concurrentie en decentralisatie van de uitvoering worden toegelaten, zullen de uitvoeringsorganisaties aangespoord worden om zuiniger te werken. Vanwege het 'wanbeleid' van GAK en bedrijfsverenigingen zijn de sociale premies acht miljard gulden per jaar hoger dan bij een goede uitvoering van ziektewet en WAO het geval zou zijn. Bovendien heeft het GAK zichzelf “extravagante salarisverhogingen” toegekend. De prijs voor te hoge sociale premies is dat 200.000 mensen zouden kunnen werken als het GAK en de bedrijfsverenigingen in de jaren tachtig de bestaande wetten beter hadden uitgevoerd, berekent Bomhoff.

Bomhoff is een economische dwarskijker. Hij combineert de originaliteit van een afwijkende mening met inzicht in de ongemakkelijke details van de overlegeconomie. Toch blijft Een Haagse lente? te vriendelijk om te dienen als radicaal pamflet voor het economisch beleid in de komende kabinetsperiode. Bomhoff staat voor een dilemma: hij pleit weliswaar op goede gronden voor ingrijpende veranderingen, maar hij wil ook het maatschappelijk fatsoen en sociale rechtvaardigheid in stand houden. Wat dat betreft heeft hij het moeilijker dan de door hem bewonderde Nigel Lawson, de Britse oud-minister van financiën. Lawson afficheerde zich als een 'Tory radical' en Bomhoff is een sociaal-democratische radicaal.

    • Roel Janssen