Oorlogsrecht concurreert met oorlogsmisdaad

Jörg Friedrich: Das Gesetz des Krieges. Das deutsche Heer in Rubland 1941 bis 1945. De Prozeb gegen das Oberkommando der Wehrmacht.

1085 blz., Piper Verlag 1993; ƒ 162,55

Op geallieerde oorlogsmisdaden uit de Tweede Wereldoorlog rust nog steeds een taboe. Dat wordt in stand gehouden door de vrees dat het de zwaarte van de Duitse schuld zou verminderen. Maar op de historici rust de verplichting de hele en volledige waarheid te achterhalen. De Duitser Jörg Friedrich kwijt zich van die plicht in een 'verpletterend' boek over Duitse en geallieerde oorlogsmisdaden.

Toen een Engels ridderlegertje in 1370 de stad Limoges na een taaie belegering innam, sabelden de veroveraars in hun woede alles meedogenloos neer wat ze tegenkwamen, man, vrouw en kind. De Franse verdedigers hadden zich op een plein teruggetrokken en er vond vervolgens een gevecht plaats volgens de regels der krijgskunst, waarop de ridders zich overgaven en eveneens keurig volgens de regels gevankelijk werden weggevoerd. Limoges werd ondertussen geplunderd, verwoest en platgebrand.

Met dit aan de 14de-eeuwse kroniekschrijver Jean Froissart ontleende verhaal begint de Duitse journalist Jörg Friedrich zijn kolossale werk over het proces tegen Hitlers Wehrmacht. Niet zonder bedoeling uiteraard: na de bombardementen op Duitse steden waarbij duizenden burgers omkwamen werden de generaals door de Amerikanen gevangengenomen en kregen in elk geval een proces, dat formeel correct was opgezet. Anderzijds betekende juist dat proces dat zij met de traditie van collegialiteit tussen beroepsmilitairen wensten te breken. Overeenkomst en verschil tussen de 14de en de 20ste eeuw! Het opmerkelijke contrast tussen de afslachting van weerlozen en onschuldigen en de geciviliseerde behandeling van de gewapende tegenstander, nadat die formeel had gecapituleerd, onthult een wonderbaarlijk patroon van de oorlog door de eeuwen heen.

Oorlog is steeds de uiterste krachtmeting tussen heersers of staten, ook al kan de inzet variëren van grenscorrecties en erfenisgeschillen tot het al of niet bestaan van een hele natie. Uiteraard bepaalt de inzet ook de aard van de krachtmeting. Maar of het nu om het bezit van een haven of een heel land plus zijn bevolking gaat, de strijd op leven en dood is tevens een ten top gevoerde competitie en er sluipt prompt een element van sport binnen. Of beter omgekeerd: sport als competitie is geritualiseerde en ontscherpte oorlog, waarbij leven en gezondheid van de tegenstander ontzien behoren te worden. Het diepere verband tussen beide blijkt overigens telkens, doordat in de sport die heilige grens wel eens overschreden wordt en omgekeerd doordat in vrijwel elke oorlog spelregels worden ontwikkeld. Vandaar het begrip van de 'ridderlijkheid', ofschoon speciaal opgekomen en gearticuleerd in de Middeleeuwen.

Uit de enkeling gezien is dat absurd, maar kenmerkend voor de oorlog is nu juist dat het niet om de enkeling maar om het collectief of een idee gaat, waaraan de enkeling wordt opgeofferd. Gelimiteerd wordt dat offer altijd weer met de verwijzing naar het belang van de groep dat dan ook het belang van de enkeling heet te zijn. Leo Tolstoj dreef dan ook de spot met de verontwaardiging van de Franse indringers bij Napoleons legendarische veldtocht in 1812, dat de verdedigers zich niet meer gebonden achtten aan enige conventie bij hun verbeten strijd: alsof er bij het doden van zoveel mogelijk vijanden nog over regels kan worden gesproken!

Tolstoj heeft hier natuurlijk de vinger gelegd op de rotte plek in het idee van oorlogsrecht en op het tweeslachtige karakter van de oorlog zelf: oorlog als competitie veronderstelt namelijk het behoud van de tegenstander en veronderstelt ook een zekere gelijkheid van voorwaarden opdat de krachtsverhouding zuiver tot haar recht komt. Vandaar de invoering van spelregels die tevens ter zelfbescherming dienen.

Maar oorlog als uiterste middel om een ander op de knieën te dwingen brengt vanzelf altijd de verleiding met zich mee die spelregels te overtreden zodra daardoor een voorsprong op de vijand wordt gewonnen. Als het spel immers uit de vernietiging van mensenlevens bestaat, wordt sportiviteit irrelevant. Rond de invoering van nieuwe wapens of strijdmethoden hangt echter al snel de geur van vals spel. Ze doorbreken het conventionele patroon maar dwingen vanzelfsprekend dan met gelijke munt terug te betalen. Zo werd ongetwijfeld de introductie van het vuurwapen door de ridders, die nog met zwaard en lans vochten, als ongeoorloofd en vals spel opgevat. Bombarderen vanuit de lucht verlegde de grens eveneens drastisch. Er vindt een permanente aanpassing plaats van wat geaccepteerd wordt: bombarderen mocht op een gegeven moment, gifgas niet en het gebruik van napalm in Vietnam werd de Amerikanen bijzonder kwalijk genomen. De inzet van het uiterste geweldmiddel botst logischerwijs met elke restrictie die het uiterste geweld weer aan regels binden wil, waardoor het niet langer 'het uiterste' is.

Oorlogsregels en oorlogsrecht zullen daarom altijd weer worden overtreden en daarmee zal hun grens worden verlegd omdat ze in diepste wezen in strijd zijn met de aard van oorlog zelf. Ze zullen echter tevens altijd ook onmisbaar blijken aangezien wij direct in de principiële wederzijdse opheffing van veiligheid weer veiligheidsregels inbouwen, het geweld vorm willen geven om vervolgens die vorm terwille van het succes weer te doorbreken.

Oorlogvoering werd al in de oudste tijden een vak, een beroep. Vele samenlevingen kenden een aparte kaste van krijgers. Bedoeld om het eigen land te beschermen en de vijand doeltreffender te lijf te kunnen gaan, maakte die kaste in de praktijk dan weer dikwijls een tegenstelling tussen de soldaat-krijger en de anderen. Er ontstond, in samenhang met de behoefte om de oorlog aan regels te binden en zo gedeeltelijk te temmen, tevens een beroepscollegialiteit tussen de militairen, die elkaar uit naam van hun vorst of natie bevochten.

Daarmee hangt dat zoëven genoemde merkwaardige contrast samen tussen de behandeling van de vijandige bevolking en de vijandige ridders. Ook hier weer een paradoxale omslag: terwijl de soldaat of krijger zich in beginsel toch dient op te offeren voor zijn volk - daaraan ontleent hij zijn bestaansrecht - offert hij de bevolking op aan het behoud van zijn kaste. Of ook: de restrictieve spelregels gelden niet voor de outsiders, die aan plundering, doodslag, verkrachting en brandstichting worden onderworpen. Zo werden vele oorlogen, met name in de Middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd tussen beroepssoldaten (of huurlegers) uitgevochten op de rug van de bevolkingen en het maakte dikwijls niets uit of men met soldaten van eigen land of van een ander had te maken.

Nationalisme en democratie brachten - samen met de modernisering van de wapens - hierin inzoverre enige verandering, dat van de 19e eeuw af, de oorlog veel duidelijker een algemene nationale zaak werd en de krijgskaste verschrompelde tot een kleine elite van beroepsofficieren die leiding gaf aan enorme volkslegers. De scheiding werd geringer, de oorlogen zelf echter tevens massaler, zodat nieuwe pogingen nodig waren om ze aan spelregels te binden, nu de bevolking op een heel andere wijze erbij betrokken raakte.

Niettemin bleven nog duidelijke relicten van de oude beroepscollegialiteit tussen militairen over en weer ook in de wereldoorlogen bestaan, al beperkte dat zich op het laatst tot protocollaire vormen bij capitulatie. Wat al bij Napoleons oorlog in Spanje en Rusland was voorgekomen - de partizanenstrijd, die zich per definitie niet aan de conventies van de reguliere troepen stoorde - zou in de moderne, totale oorlog de kwestie van de spelregels echter extra discutabel maken.

De Eerste Wereldoorlog werd al begrepen als een existentieel conflict tussen goed en kwaad, doordat de bevolking op ongekende schaal gemobiliseerd werd en daardoor gemotiveerd diende te zijn. Toen werd van geallieerde zijde ook het begrip 'oorlogsmisdadiger' ingevoerd: de vijand (de Duitsers) had de op dat moment geldende conventies overtreden, bijvoorbeeld door zijn meedogenloos optreden tegen Belgische, van verzet verdachte burgers en door het transport van dwangarbeiders naar Duitsland.

Hitler heeft na zijn aanval op de Sovjet-Unie bewust de geldende spelregels geschonden om de oorlog het aanzien van een absolute strijd tussen biologische soorten te geven - een strategie waarvoor Polen al in 1939/40 proefterrein was. Terwijl na 1945 uit Wehrmacht-kringen almaar werd verkondigd dat het leger 'fatsoenlijk' was gebleven (volgens de algemene spelregels had gevochten) en dat de massamoorden op de joden, op krijgsgevangenen, bolsjewistische commissarissen en andere groepen, zonder zijn kennis door de SS en de Sonderkommando's waren begaan, is dat beeld al lang aan flarden gescheurd. Niet slechts dekte de legerleiding stilzwijgend veel gruwelen, zij bleek er ook veel meer bij betrokken dan zij wilde toegeven om het blazoen van de Duitse officier schoon te houden.

Friedrich, die al meer publikaties over het Derde Rijk op zijn naam had staan, heeft in opdracht van de stad Neurenberg met een team voor het eerst heel het materiaal van het proces tegen het OKW (Oberkommando der Wehrmacht) systematisch bewerkt. Nu in heel Europa een nationale reactie het hoofd opsteekt, is er ook in Duitsland kans op een zekere trend naar rehabilitatie; waarbij met name de rol van de Wehrmacht punt van discussie kan vormen.

Friedrichs studie is een verpletterend boek geworden, niet alleen in omvang (1085 bladzijden) maar ook in de reikwijdte van de problematiek die hier onverschrokken wordt aangesneden, en niet in de laatste plaats door het taalvermogen en de uitbeeldingskracht. Op grote werken is gewoonlijk ook een en ander aan te merken; alleen het braafmiddelmatige glipt gemakkelijk door het net van de criticus. Zo ook hier: de compositie is nogal rommelig doordat de beschrijving van de gebeurtenissen zelf en hun behandeling bij het proces door elkaar lopen. Een samenvattende conclusie ontbreekt merkwaardig genoeg en eveneens een inleiding. Het probleem van 'De rechtvaardige oorlog' in de geschiedenis, dat zo onlosmakelijk met het hele idee 'oorlogsmisdaad' samenhangt, komt niet uit de verf. Ofschoon het betoog gebaseerd is op een enorme documentatie en literatuur zijn de verwijzingen in de tekst vreemd en soms onduidelijk. Het komt alles op de lezer af als een kolossaal metereoriet-blok dat zo uit de hemel is gevallen. Maar wat staat daar niet tegenover!

Friedrich plaatst het proces in een zeer brede historische context, waarbij hij een licht laat schijnen op de oorlog door de laatste eeuwen heen en op de 20ste-eeuw in het bijzonder. Hij komt met een diep gravende analyse van het optreden van de hoge officieren en van zowel Amerikaanse aanklacht als Duitse verdediging. We krijgen een uitvoerig beeld van de krijgsoperaties, van de structuur van het leger, de hele besluitvorming, van Hitler af tot de lagere commandanten, dat - ondanks alle reeds verschenen literatuur - tal van nieuwe details in dit ontzaglijke drama onthult.

We krijgen daardoor vooral een inzicht juist in die ontzaglijkheid en de omineuze verstrengeling van plichtsbesef, bekwaamheid, professionalistische bekrompenheid, arrogantie, kortzichtigheid, atrofiëring van morele normen, criminaliteit; kortom in de bijna onpeilbare geweldsescalatie en onmenselijkheid, die dan ook de tegenstander besmet. We krijgen daarnaast beschrijvingen van de gruwelen en massamoorden op joden te Kodyna, Lemberg, Babi Jar en Simferopol, in het Balticum, de Krim, de Oekraïne en van de moord op patiënten, maar eveneens van de bombardementen op Coventry, de vuurzeeën van Hamburg en vooral Dresden, van een indringende evocatie zoals men die zelden tegenkomt. Hier bereikt Friederichs werk het peil van de waarlijk grote geschiedverteller; ook doordat hij oog heeft voor nog verwaarloosde zaken, zoals de verminking, verbranding en paniek-vlucht van de dieren in de Zoo te Dresden. Bladzijden, die juist de volstrekte ontoereikendheid van het menselijke voorstellingsvermogen tonen.

De schrijver gaat ook het meest gevoelige probleem niet uit de weg: de bewuste 'ontmenselijking' van de oorlog, zoals Hitler die beval en zoals de Wehrmacht die dekte en eraan meewerkte, dreigt de aandacht af te leiden van misstanden en praktijken die, deels als reactie op de nazi-gruwelen, onder geallieerde vlag plaatsvonden. Daarop rust nog steeds een taboe. Dat wordt in stand gehouden door de vrees, dat het de zwaarte van de Duitse schuld zou verminderen.

Het mes snijdt alleen naar twee kanten: Shoah en massamoorden op gevangenen zijn evenmin een alibi voor misdaden door de geallieerden begaan. Op de historici rust de verplichting (zo veel mogelijk) de hele en volledige waarheid te achterhalen. Zolang de sluier niet volledig is weggerukt, blijft elke oordelende balans broddelwerk. Zo behandelt Friedrich bij mijn weten voor het eerst de afschuwelijke toestanden in de Amerikaanse Rijn-kampen, waar duizenden gevangenen na de capitulatie crepeerden. En hij wijst op de ironie, dat de Veiligheidsraad van de VN zich juist met een theoretische aanval op Rusland met o.a. 300 A-bommen bezig hield, op het moment dat het OKW wegens agressie en oorlogsmisdaden werd veroordeeld. Dat laatste was ook volgens Friedrich gerechtvaardigd - hoezeer ook van een overwinnaars-rechtspraak gesproken moet worden en hoe zeer ook Hitlers tegenstanders (nog afgezien van de Sovjet-Unie) zich schuldig hebben gemaakt aan dingen, die volgens hun eigen criteria misdadig waren.

De leiding van de Wehrmacht echter was niet slechts volkomen op de hoogte van de moordacties. Veelal trachtte zij zelf de nietsontziende terreur-politiek over te nemen, minder uit ideologisch fanatisme dan om niet van SS en Gestapo afhankelijk te worden. Primair was handhaving van de orde en van haar gezag, waarbij partizanen principieel buiten elke humane behandeling vielen. Ook Hitlers these dat tegen de Sovjets alle conventionele spelregels ongeldig waren, nam zij zonder veel pijn over.

Friedrich wijst erop dat de generaals met Hitler wel permanent verbitterd ruzieden over het militaire beleid. Nooit echter protesteerden zij tegen zijn uitroeiingspolitiek of traden om die reden af. Hun verdediging en beweerde onwetendheid prikt hij door als zwendel. Onideologisch en uitsluitend in categorieën van militair belang, van prestige- en competentie denkend, bleken zij gemakkelijk hanteerbare werktuigen van het barbaarse beleid. Die vernietigende kritiek geeft de auteur het recht tevens echter de smetten op het blazoen van de Geallieerden ter discussie te stellen.

Wat de meedogenloze historische zelfkritiek aangaat heeft de Duitse geschiedwetenschap een voorsprong op die van veel andere landen. Alleen al terwille van het evenwicht is te wensen dat men die discussie niet langer uit de weg gaat en ook dat men meer oog krijgt voor de drassigheid van begrippen als oorlogsrecht en oorlogsmisdaad. Ook al zijn die altijd onmisbaar als poging tot althans een inperking van het geweld en de rechteloosheid. Dit imposante werk kan misschien als een zware steen dit zware water in beweging brengen.