Ondanks slechte economie is regeerakkoord bijna gehaald

Op de opiniepagina van afgelopen dinsdag schreef Frank van Empel dat het de minister van financiën niet is gelukt de afspraken uit het regeerakkoord na te komen. Wim Kok is het daar niet mee eens.

Redacteur Frank van Empel heeft een passie voor beschouwingen over de Nederlandse economie en het kabinetsbeleid (die ik deel) waarin vooral zijn eigen visie is terug te vinden (die ik niet deel). En soms gaat zijn visie met de feiten op de loop, zoals bleek in NRC Handelsblad van 12 april. Zowel in de inleiding als in het artikel zelf worden vijf maatstaven genoemd waaraan het kabinetsbeleid zou moeten worden gemeten. Die maatstaven worden aan het regeerakkoord toegeschreven. Ze staan daar “met zoveel woorden in” aldus Van Empel.

Drie van de vijf staan echter niet in het regeerakkoord en zijn ook overigens geen doelstelling van kabinetsbeleid. Ik heb mijn handen al vol aan het zo goed mogelijk vormgeven van het beleid waarvoor ik wél heb getekend.

Het wordt wat lastig als ik ook nog het gedroomd regeerakkoord van Van Empel tot werkelijkheid moet maken.

De onderwerpen die hij noemt zijn er niet minder belangrijk om. “In 1989 stond in het regeerakkoord dat het kabinet de gegroeide inkomensverschillen zou verkleinen”, aldus Van Empel. Hier kan ik kort over zijn. Wat een onzin. In een regeerakkoord met het CDA als grootste partij zeker? Dan zou de zwenking naar links die Ruud Lubbers voor de toekomst vreest al in 1989 hebben plaatsgevonden.

Neen, de PvdA heeft er keer op keer alles aan gedaan om tegen de stroom in een gelijkmatige inkomensontwikkeling te bevorderen. Dat is ons zelden in dank afgenomen - misschien herinnert men zich het verwijt over het 'gemillimeter' nog - en veel steun was er bij andere partijen niet te vinden. Het kan altijd beter, maar in de gegeven politieke en economische omstandigheden ga ik me ook niet zitten schamen.

Dan de bewering dat de veranderingen in de regelingen voor arbeidsongeschiktheid tot niets zouden hebben geleid. Het in het regeerakkoord geformuleerde doel was 'zo snel mogelijk tot een situatie te komen waarin het beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen in ieder geval niet meer groeit'.

Die situatie is nu inderdaad bereikt. Van belang voor de structurele ontwikkeling is het aantal mensen dat jaarlijks op een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangewezen raakt (de zogenoemde instroom) en het aantal waarvan de uitkering wordt beëindigd (de uitstroom).

De cijfers zijn sprekend. In 1990 en 1991, vóór de discussie over nieuwe maatregelen en de invoering daarvan, kwamen zeventien van de duizend verzekerden in een arbeidsongeschiktheidsregeling terecht. In 1992 en 1993, na de discussie en nieuwe maatregelen, is de instroom met bijna twintig procent afgenomen tot veertien per duizend verzekerden. Bovendien is de gemiddelde mate van arbeidsongeschiktheid aan het teruglopen. Daarbij moet worden bedacht dat het herkeuren op basis van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium ('kijken naar wat iemand kan') pas dit jaar voluit zijn beslag krijgt. De uitstroom daarentegen neemt toe.

In 1990 werden 8,3 procent van alle uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid beëindigd, in 1993 was de uitstroom met meer dan 10 procent toegenomen tot 9,4 procent van alle uitkeringen.

De combinatie van minder nieuwe uitkeringen, een geringer mate van afkeuring, en meer uitkeringen die worden beëindigd vormt de eenvoudige verklaring voor het feit dat het WAO-premiepercentage jaar op jaar kan dalen.

Het CPB rekent met een verdere daling van 10,6 procent dit jaar naar 8,95 procent in 1995.

Het stimuleren van de werkgelegenheid is inderdaad een hoofddoelstelling van kabinetsbeleid. In het regeerakkoord werd dat vertaald in een streven om in vier jaar tijd vierhonderdduizend mensen extra aan het werk te helpen. Het zijn er in de vier jaar die achter ons liggen 397.000 extra geworden. Dit jaar dreigt een daling met achtduizend personen.

Niemand hoeft mij uit te leggen dat de werkloosheid nu weer veel te snel oploopt. Vooral het gevaar van toenemende langdurige werkloosheid vind ik een schrikbeeld. Bij een zo lage economische groei als in de afgelopen jaren - in 1992, 1993 en 1994 samen 1,75 procent in plaats van de door het CPB bij regeerakkoord voorspelde 6,75 procent - is dat niet verwonderlijk.

Het omgekeerde geldt ook. Bij een voorziene groei van 2,5 procent in 1995 en een gemiddelde groei van 2 procent voor de komende vier jaar, is met beleid, moed en trouw een herstel van het tempo van honderdduizend mensen per jaar extra aan het werk een reële mogelijkheid.

In mijn lezing in de Beurs van Berlage heb ik die optimistisch ogende verwachting onderbouwd.

Economisch herstel, inkomensmatiging, lastenverlichting, de effecten van grote overheidsinvesteringen, de solide financiële positie van Nederland, aangevuld met een vervolg op het terrein van sociale vernieuwing, banenpools en Jeugdwerkgarantieplan; zijn in vogelvlucht de factoren die ik toen op een rij heb gezet.

Tot slot wat de vijf maatstaven betreft het financieringstekort en de collectieve lastendruk.

Doel van het beleid was een vermindering van het financieringstekort met een half-procent per jaar. In de jaren dat ik minister van financiën ben, heb ik de Kamer telkenmale in februari kunnen melden, dat in het jaar daarvoor de tekortnorm minimaal is gehaald. Vier jaar op rij (1990-1993) is ten minste aan de afspraak in het regeerakkoord voldaan. Ik moet nog de eerste collega in het buitenland tegenkomen die mij dat kan nazeggen.

Vanaf medio 1993 was ik van mening, dat de tekortvermindering weliswaar moest worden voortgezet, maar dat het tempo rekening moest houden met de economische en in het bijzonder werkgelegenheidsomstandigheden. De economische groei over 1993 en 1994 samen was immers geen 4,5 procent (regeerakkoord) maar een schamele 1 procent.

Ik zal ervoor zorgen, dat het tekort dit jaar niet uitkomt boven dat van vorig jaar (3,75 procent). En dat ik zelf of mijn opvolger zal kunnen aanvangen met meerjarencijfers die een verdere daling van het tekort in het vooruitzicht stellen. De collectieve lastendruk is nu net zo hoog als vóór 1989. Volgend jaar gaat hij omlaag. Als je een lange reeks van jaren bekijkt - bijvoorbeeld de afgelopen tien jaar - dan zie je betrekkelijk weinig verandering. Het kabinet had ten doel de lastendruk te stabiliseren. Daarom is de vijf miljard gulden lastenverlichting nodig en nuttig. Door structureel hogere belastingopbrengsten (want het waren onverwacht hoge belastingopbrengsten in 1993 die de lastendruk omhoog brachten) is lastenverlichting mogelijk en verantwoord.

De onbedoelde lastenverzwaring die uit hogere belastingopbrengsten voortvloeit wordt in bewuste lastenverlichting vertaald. Dat vind ik vanzelfsprekend in een situatie waarin er een terechte consensus bestaat over de wenselijkheid van lagere arbeidskosten.

Daarom sluit ik mij aan bij de eerdere reactie van Ruud Lubbers in NRC Handelsblad van 31 maart; “Uit het Centraal Economisch Plan blijkt dat de doelstellingen van het regeerakkoord nagenoeg bereikt worden, zij het dat het een jaar langer heeft geduurd .....

Gezien de scherpe economische teruggang van de afgelopen jaren is de schade dus zeer beperkt gehouden''.

    • Wim Kok
    • Minister van Financiën
    • W. Kok