Lasten van misdaad wegen zwaar, maar we moeten niet overdrijven

De burgers van Nederland krijgen voortdurend te horen dat het geweld onrustbarend toeneemt en dat het bij politie en justitie in ons land een weergaloze bende is. Criminoloog Herman Franke bestrijdt dat beeld. Hij betoogt dat de lasten van de misdaad met preventie, beveiliging en uitbreiding van hulp aan slachtoffers te verlichten zijn.

Dit artikel is een van de bijdragen aan een vandaag verschenen themanummer van het 'Tijdschrift voor Criminologie'. Het gaat over de oorzaken en de bestrijding van misdaad.

Je hoeft geen groot geleerde te zijn om in te zien dat bij criminaliteitsproblemen een onontwarbare kluwen van maatschappelijke en individuele factoren een rol speelt. De enorme stijging van criminaliteitscijfers na de Tweede Wereldoorlog in Nederland en andere westerse landen hangt uiteraard sterk samen met de spectaculaire welvaartstoename. Er valt eenvoudigweg veel meer te stelen en illegaal te graaien dan in de jaren vijftig. Daarbij kwam het afkalven van traditionele gezagsverhoudingen, ontkerkelijking, de opbouw van de verzorgingsstaat, individualisering, de toename van vrije tijd, democratisering, de vermenging van culturen en een sociaal-economische verwaarlozing van hele stadswijken.

Al die maatschappelijke ontwikkelingen hebben er, in samenhang met psychologische en biologische factoren, toe geleid dat mensen zich minder gemakkelijk neerleggen bij lagere maatschappelijke posities. Ze maken vaker gebruik van criminele alternatieven bij het oplossen van hun problemen en bij het bevredigen van hun materiële en emotionele behoeften. Relatief ernstige criminaliteitsproblemen vormen als het ware de prijs die voor brede, grotendeels positieve sociale ontwikkelingen betaald moet worden. Belangrijk is verder dat bij elke vorm van criminaliteit andere factoren een rol spelen en dat elke vorm van criminaliteit zich anders ontwikkelt. Na de Tweede Wereldoorlog nam vermogenscriminaliteit veel sterker toe dan geweldscriminaliteit. Bij moord- en doodslag is het in West-Europa, en vooral in Nederland, zelfs de vraag waarom het aantal slachtoffers (in Nederland ruim tweehonderd per jaar) historisch gezien zo gering is gebleven en zo weinig is gestegen in vergelijking met misdrijven als inbraak en beroving.

Criminaliteit is een structureel maatschappelijk probleem. Als de criminaliteitsproblemen in de toekomst opmerkelijk kleiner worden, zal dat veel meer samenhangen met (grotendeels ongestuurde) maatschappelijke ontwikkelingen in de richting van meer sociaal-economische gelijkheid en sociale integratie dan met gestuurde bestrijdingsinspanningen. Zo ingewikkeld en simpel tegelijk ligt het.

Het nare met deze oorzakelijke analyse van criminaliteit is dat niemand er graag aan wil. De analyse werkt verlammend omdat onmiddellijk duidelijk wordt dat criminaliteit slechts in zeer beperkte mate aan te pakken valt. Meer politie, meer cellen en strenger straffen: iedere deskundige weet dat er in moderne samenlevingen niet meer dan een marginale invloed van uit kan gaan. De mogelijkheden van politionele criminaliteitsbestrijding en justitiële repressie zijn min of meer opgebruikt, ook al willen politici ons dat graag anders doen geloven. De inspanningen van politie en justitie zijn inmiddels zo krachtig en zo uitgebreid, dat een verhoging van die inspanningen nog maar heel weinig positief effect zal hebben op de aard en omvang van criminaliteit. Dit inzicht mag natuurlijk niet verhinderen dat de inspanningen op dit terrein zo intensief, efficiënt en humaan mogelijk worden voortgezet en dat er voortdurend voor gewaakt wordt dat het peil ervan niet zakt.

Van beveiligings- en preventiemaatregelen valt in onze samenleving voorlopig nog wel heil te verwachten, vooral bij lichtere vormen van criminaliteit. Bij een combinatie van meer preventie/beveiliging en een uitbreiding van de hulp (materieel en immaterieel) aan slachtoffers van criminaliteit, heeft de gemiddelde kiezer meer baat dan bij de harde maatregelen die politici en opinieleiders bepleiten. Toch zal binnen afzienbare tijd ook het plafond van preventiemaatregelen en slachtofferhulp bereikt worden.

Er valt niet aan te ontkomen: wie in een moderne, democratische, multiculturele welvaartssamenleving leeft, zal naast de vele lusten ook de lasten moeten dragen. Eén van die lasten is veel criminaliteit, waarbij overigens niet vergeten moet worden dat een groeiend aantal mensen aan criminaliteitsbestrijding (in al zijn facetten) een goede boterham verdient.

Het dragen van de criminaliteitslasten wordt de burgers bepaald niet gemakkelijk gemaakt. Allereerst wordt er via de media een constante stroom van idiote overdrijvingen over hen uitgestort. De burgers wordt voorgehouden dat het aantal moorden van jaar tot jaar schrikbarend stijgt, dat de georganiseerde misdaad oprukt en een mafia-achtige omvang bereikt en dat het in Nederland veel onveiliger is dan in het buitenland - terwijl het moord- en doodslagcijfer een van de laagste in de westerse wereld is.

Zelfs de minister van justitie schroomt niet de burgers met indianenverhalen en pertinente onwaarheden de stuipen op het lijf te jagen. Toen onderzoekers becijferden hoeveel jongeren in Groningen wapens bij zich droegen, concludeerde de minister op de opiniepagina van NRC Handelsblad dat het gebruik van geweld onder jongeren in het algemeen zorgwekkend was toegenomen. In een interview met de Volkskrant vergeleek hij Nederland qua criminaliteit met Brazilië! Het ideaal van een samenleving met weinig criminaliteit brengt deze minister tot gevaarlijke stemmingmakerij en verleidt hem tot een ondoordachte repressiepolitiek. Een versterking van moreel besef is een mooi doel, maar de middelen moeten moreel wel door de beugel kunnen.

Het dragen van de criminele lasten wordt nog zwaarder gemaakt doordat de verontruste burgers dagelijks door politici, journalistieke opinieleiders en woordvoerders van belangengroepen wordt voorgehouden dat de criminaliteitsproblemen wortelen in typische Nederlandse misstanden op het gebied van tolerantie, politieoptreden en strafrechtelijke afdoening. De invloed daarvan op onveiligheidsgevoelens zou wel eens veel groter kunnen zijn dan criminaliteit zelf. Veel van die stemmingmakerij berust - deels bewust, deels onbewust - op professioneel eigenbelang: - men wil meer mensen en middelen, zoals elke organisatie meer mensen en middelen wil. - men wil zich politiek profileren (of aan de politieke dood ontkomen) met stoere uitspraken over hoe stevig het criminaliteitsprobleem aangepakt zal worden als de kiezer maar op hen stemt. - men tracht de omzet in de beveiligingsindustrie te verhogen met bangmakende verhalen over inbrekers en verkrachters. - men wil als afhankelijk onderzoeker met stevige conclusies op basis van slecht onderzoek een vervolgonderzoek in de wacht slepen of beleid rechtvaardigen van de opdrachtgever. - men wil zich journalistiek in de kijker schrijven met zogenaamd realistische beschouwingen over het paradijs dat Nederland voor de misdadigers zou zijn: politiemensen zijn onkundig en zitten veel te veel achter hun bureau, gevangenissen zijn duiventillen, moordenaars worden door celtekorten vrijgelaten, de zware jongens lachen om onze humane straffen, de slimme misdadigers komen vrij door vormfouten en andere blunders van het openbaar ministerie.

Zo krijgen de burgers die moeten leren leven met de lasten van criminaliteit ook nog eens het idee dat het bij politie en justitie in ons land een weergaloos zootje is, terwijl Nederland internationaal gezien nog steeds een justitiële en politionele modelnatie is met gevangenissen waarbinnen gepoogd wordt de schadelijke effecten te beperken, met een modern politieapparaat waarbinnen corruptie en onnodig geweldgebruik betrekkelijk weinig voorkomen en met een strafrechtelijk apparaat dat nog niet helemaal op brute onderdrukking van de maatschappelijke onderlagen is ingesteld. Nederland zou zich trots dienen te verweren tegen de druk om de aanpak van criminaliteitsproblemen op Europese maat te snijden in plaats van voortdurend het eigen nest te bevuilen met modieus-stoere praatjes.

Naast een criminaliteitsprobleem heeft Nederland dan ook een heel ander probleem: groeiende onveiligheidsgevoelens die meer en meer los komen te staan van de werkelijke criminele bedreigingen van lijf en goed en die gevoed worden door een veel te negatief beeld van justitie en politie. Een griezelige vorm van virtual reality. In plaats van diffuse schrikbeelden te verspreiden die mensen een sterk gevoel van machteloosheid geven, zou dan ook serieus werk gemaakt moeten worden van een goede, gedetailleerde voorlichting over de kansen om slachtoffer van misdrijven (welke? waar?) te worden en de mogelijkheden om zich er tegen te beschermen en te verweren. Doodgestoken word je niet zomaar in Nederland. Verkrachters die onbekende vrouwen de bosjes in sleuren zijn er heel weinig. Inbrekers gebruiken zelden geweld en ook bij berovingen wordt de dreiging met geweld zelden uitgevoerd. Heel veel criminaliteit (vooral geweldscriminaliteit) beperkt zich tot bepaalde gebieden en bepaalde leeftijdsgroepen op bepaalde tijden. Postbus 51-spotjes met dergelijke informatie zouden mijn instemming hebben. Bij angst is het zaak de gevaren te lokaliseren en te onderscheiden.

Er zou ook al heel wat gewonnen zijn als in de toekomst de criminele lasten van de burger iets verlicht werden door een meer verantwoordelijke houding bij mensen die zich professioneel op de markt van misdaad en straf begeven. Allereerst zouden journalisten zich moeten wapenen tegen het gebruik dat belangengroeperingen van de media maken (met publiceerbare persberichten en geschoolde voorlichtingsfunctionarissen) in de strijd om mensen en middelen. Daarnaast zou er gedacht moeten worden aan een nieuwe doelstelling bij alle inspanningen ter bestrijding van criminaliteit. In de wetenschap dat een opmerkelijke terugdringing van criminaliteit op korte termijn geen realistisch streven is, zou die nieuwe doelstelling moeten luiden dat averechtse en schadelijke effecten van criminaliteitsbestrijding zoveel mogelijk voorkomen worden. Dat kan een belangrijk criterium worden als zij in brede zin wordt opgevat en uitgewerkt. Bijvoorbeeld door het criminaliteitsbeleid in te bedden in sociaal-economische maatregelen die het leefklimaat in wijken verbeteren, ook al leiden zij niet direct tot daling van criminaliteitscijfers.

Om de morele gevoeligheid op dit terrein te vergroten zou het goed zijn als politici, journalisten en bestrijdingsprofessionals voor een tuchtcollege ter verantwoording geroepen konden worden wanneer zij uit de losse pols een onjuist en angst vergrotend beeld van criminaliteit geven. En wanneer zij ten onrechte beweren dat de oorzaken vooral in een falende justitiële en politionele repressie liggen en de oplossingen in een hardere aanpak. Zo gek als het lijkt is dit voorstel niet. Als een hoogleraar in de geneeskunde op valse gronden beweert een medicijn tegen AIDS ontdekt te hebben, wordt hij nog veel zwaarder aangepakt. Van angst en valse hoop moet je niet willen leven.

Veel belangrijker en realistischer dan een tuchtcollege is natuurlijk dat binnen politieke, justitiële en politionele kringen daadwerkelijk en serieus op voorhand studie wordt gemaakt van de contraproduktieve effecten (in de vorm van maatschappelijke schade, sociale marginalisering, criminaliteitsbevordering en menselijk leed) van nieuwe maatregelen en inspanningen. Alleen al het serieus nemen van reeds bestaande wetenschappelijke kennis op dit gebied zou veel schade hebben kunnen voorkomen. Binnen het gevangeniswezen bij voorbeeld nam het aantal ontsnappingen door het beperken van vluchtmogelijkheden het afgelopen decennium gestaag af, maar het gebruik van geweld bij ontsnappingen en de spanning binnen de strafinrichtingen nam toe. Er is door deskundigen voortdurend maar tevergeefs voor gewaarschuwd. Als wordt verdergegaan op de weg van meer beveiliging stijgt de kans op dodelijk geweld en opstanden.

Ook binnen het politieapparaat heeft de nieuwe flinkheid in de vorm van meer bevoegdheden al tot problemen geleid die door deskundigen voorspeld werden: corruptie en oncontroleerbaarheid. Zwaardere straffen voor drugshandel en opvoering van de politionele bestrijding daarvan, leidde (eveneens door deskundigen verwacht) vooral tot corruptie binnen gevangenissen, tot een groeiend tekort aan cellen, tot hogere drugsprijzen en tot een betere organisatie van die handel.

Een meetbare vermindering van criminaliteit is er van al die ondoordachte hardheid niet uitgegaan. En aan een verbetering van de sociaal-economische positie van achtergestelde bevolkingsgroepen droeg zij zeker niet bij. Meer politie, uitbreiding van politionele bevoegdheden, meer elektronisch en functioneel toezicht, beperking rechten van verdachten, zwaardere straffen, meer cellen, verharding van gevangenisregimes, verharding van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en verharding van drugsbestrijding: een degelijke kosten- en batenanalyse van dit opportunistisch toegeven aan de waan van de dag, zou in de toekomst wel eens kunnen uitwijzen dat niet de zachte jaren zestig en zeventig (zoals mensen beweren die uit toenemende criminaliteit hun morele en wereldbeschouwelijke gelijk willen halen) maar de harde jaren tachtig en negentig de lasten van criminaliteit duurzaam hebben verzwaard. Temeer daar de domme repressiepolitiek gepaard ging met een sociaal-economische verwaarlozing van grote delen van de bevolking.

    • Herman Franke