Jaap van de Merwe (1924-1989); Verslingerd aan het cabaret

Henk van Gelder: De vriendelijkste kerel van de wereld. Jaap van de Merwe 1924-1989 224 blz., Nijgh & Van Ditmar 1994, ƒ 34,90

Het cabaret was voor Jaap van de Merwe een uitvergroting van de robuuste kwaad geworden waarheid, maar bij alle overdrijving waarin hij zich uitleefde wilde hij soms ook de wetenschap recht in de ogen kunnen zien. Voor het schrijven van een historische ballade was een idee alleen voor hem niet genoeg, maar kwam het ook op de feiten aan. Zo was zijn Drie patroeljes, een nummer uit zijn cabaretprogramma Ze doen maar, dat hij in 1965 samen met Frits Lambrechts en Dick Poons zong, niet uit losse notities op een bierviltje ontstaan, maar uit bronnenonderzoek in de studiezaal van de Sectie Krijgsgeschiedenis van de Generale Staf in Scheveningen.

In de afzondering van die militaire archieven (waar zelfs geen cabaretier zo maar kan binnenlopen) had Van de Merwe, die op dat moment nog met de journalistiek zijn brood verdiende, stapels archiefstukken doorgespit, op zoek naar de processen-verbaal over de ondergang van de drie verkenningspatrouilles van het Eerste Regiment (huzaren), die in de meidagen van 1940 in de Gelderse Vallei werden afgeslacht door de Duitse invallers. In het Leidseplein-cabaret had hij eens twee Israelische troubadours een ballade horen zingen over een patrouille uit de woelige wordingsgeschiedenis van de staat Israel, en die hadden hem geïnspireerd tot zijn lied over 'die dienstplichtige jongens uit mei '40', wier lotgevallen in enkele regels waren beschreven in een officieel rapport dat hij in een boekenstalletje op het Waterlooplein had opgeduikeld.

Achter die enkele regels ging een drama schuil dat zich uit de rapporten van de Sectie Krijgsgeschiedenis van minuut tot minuut liet reconstrueren. Jaap van de Merwe hergaf de individuen van het naamloos gesneuvelde collectief hun namen in zijn Drie patroeljes en vereeuwigde ze, zo niet in de militaire geschiedenis van Nederland, dan toch in zijn cabaret-repertoire. Volgens zijn biograaf, de journalist Henk van Gelder, was Drie patroeljes een van zijn beste chansons, misschien wel het allerbeste, “door die wonderlijk gave combinatie van journalistieke informatie, simpel verwoorde tragiek en gevoelige muzikaliteit”.

Juffrouw Vrugt

Jaap van de Merwe was voor het politieke cabaret in de wieg gelegd. In zijn lagere-schooltijd schudde hij al zelfgemaakte versjes uit zijn mouw. Op zijn negende jaar maakte hij een meezinger voor een schoolreisje waarin volgens zijn biograaf zowel het prille muzikale talent als de opkomende neiging tot het cabareteske de kop opsteekt. 'Juffrouw' Vrugt, zijn onderwijzeres op de lagere school in Rotterdam-Noord, onderkende zijn talenten en waardeerde vooral zijn originaliteit. Vermoedelijk zag ze al de toekomstige kunstbroeder in hem, want de 'kwekelinge belast met het klassikaal instuderen van liedjes' was zelf ook een aankomend talent. Ze zou later onder de naam Anna Blaman een bekend schrijfster worden.

De jeugd van Jaap van de Merwe leverde een ideaal decor voor een in de kleinkunstgeschiedenis gespecialiseerde biograaf. Van Gelder heeft het even mooi gedocumenteerd als ingekleurd: Van de Merwe was de zoon van een gematigd-rode politieman met een hartstocht voor de politiekapel, de kleinzoon van een vuurrode politieman met een vakbondsverleden en een verre nazaat van de middeleeuwse Dordtse rebellenleider Dirk van de Merwede. Het muzikale talent had hij dus van zijn vader, het socialisme van zijn grootvader en het rebelse van die nog oudere Dordtse voorvader. Thuis lazen ze de Voorwaarts, het Rotterdamse kopblad van Het Volk, de partijkrant van de sociaal-democraten. Met de Nieuwe Rotterdamsche Courant had zijn vader niets op, dat was de spreekbuis van Lord Loonsverlaging.

Op zijn zestiende jaar was Jaap van de Merwe al door het cabaret als levensbestemming gegrepen. Van Gelder laat hem op het Rotterdamse Erasmus-gymnasium rondlopen met hooggestemde ideeën over de stichting van een eigen cabaret-theater. Maar voordat hij dat ideaal kon realiseren, moest hij zich jaren afjakkeren voor de krant van de arbeidersbeweging. Bij Het Vrije Volk, waar hij in de jaren vijftig verslaggever en kunstredacteur was, onderscheidde hij zich al door een poëtische woordkeus en een glasheldere stijl en ook nog door “een prachtig handschrift, uitstekend verzorgd en zonder één doorhaling”, zoals een oud-collega in het boek opmerkt. Redacteuren schreven in die jaren nog kopij met de hand. Van de Merwes journalistieke carrière begon zoals die van zovelen: op een één-manspost, redacteur van een pagina plaatselijk nieuws in een van de vele edities van Het Vrije Volk, die elke dag eigenhandig moest worden gevuld. Zo'n één-manspostredacteur (in zijn geval Dordrecht) was '24 uur in dienst van de krant', in de wildernis gedetacheerd en aan de heidenen overgeleverd.

Cursiefje

Henk van Gelder heeft het noeste leven van zo'n eenzame Vrije-Volkredacteur naar het leven getekend. “Hard werken. Zoveel mogelijk vergaderingen en uitvoeringen van de plaatselijke gymnastiek-, toneel- en muziekverenigingen aflopen en goede contacten onderhouden met de plaatselijke bestuurders van de PvdA, want Het Vrije Volk was nu eenmaal hun krant. En liefst, voor de persoonlijke noot, elke dag een cursiefje. Onder ons in Dordt, heette het dagelijkse cursiefje van Jaap van de Merwe. Over de hond in de Dordtse stationsrestauratie. Elke dag over wat anders, (...) keutelige stukjes van een beginnende twintiger die probeerde te poseren als een gemoedelijk flanerende heer van middelbare leeftijd.”

In 1955 maakte hij een sprong naar de echte journalistiek, weliswaar nog altijd bij een partijkrant, maar dan toch in een sector van de redactie die ook volgens algemene maatstaven van hoog niveau was. Sinds zijn aanstelling op de kunstredactie was Van de Merwe nu toegelaten tot het heilige der heiligen van de journalistiek. De kunstredactie was een 'anarchistische bende', een verzameling lieden die het volgens een redacteur uit die tijd “hoog in de bol hadden en met veel artistiek dédain neerkeken op het ordinaire werk van alle andere delen van de redactie”. Nu Jaap daar bij ging horen, zou ook zijn naam veel vaker in de krant verschijnen, want kunstredacteuren moesten hun mening geven en mochten hun stukken ondertekenen, een voorrecht dat de overige redacteuren en verslaggevers nog lang niet beschoren was.

Die overstap naar de kunstredactie leidde tot een volgende beslissende stap. Hij kwam in contact met de kleinkunst en liep warm voor het toen net opkomende studentencabaret waarvoor hij een overduidelijke affiniteit etaleerde. Zijn voorkeur ging uit naar het Haags Studentencabaret van Rinus Ferdinandusse, dat radicaler, uitdagender en scherpzinniger was dan het professionele schouwburgcabaret. Maar ook de andere beoefenaren van het politieke cabaret vonden in hem een bondgenoot in de krant. Al recenserend werd hij zelf met het cabaret-virus besmet.

“Hoe het is gegaan”, schrijft Henk van Gelder, “valt niet meer te achterhalen, maar opeens was hij eind 1956, als enige niet-student, lid van het Rotterdams Studenten-Cabaret onder leiding van de economie-kandidaat Co de Koning. Hij schreef en hij trad op. En hoewel lang niet alle recensenten zijn naam noemden, hadden ze het bijna allemaal over een parodie op het quasi-cynische en modieus-existentialistische Bonjour Tristesse-sfeertje, geschreven door Jaap van de Merwe”. Van de Merwe liet zijn vaste baan bij de krant voor wat zij was en verslingerde zich aan het onzekere bestaan van beroepscabaretier. De komende jaren was hij gedoemd te leven van de hand in de tand, maar een andere keus was er niet. Jaap van de Merwe was niet alleen een geboren artiest, hij voelde zich in het diepst van zijn ambities ook de beste.

In Henk van Gelders evenwichtige levensbeschrijving van de zichzelf op de gitaar begeleidende liedjeszanger, tekstschrijver, componist, journalist, kluchtenmaker, librettist en kleinkunsthistoricus worden die ambities fair gewogen en beoordeeld in het licht van twee levenslijnen die bij Van de Merwe altijd met elkaar overhoop lagen. Het talent van de begaafde tekstschrijver was permanent in oorlog met zijn matige acteertalent. Jaap van de Merwe zou zijn leven lang de mooiste teksten van eigen hand vernielen door zijn deerniswekkend slechte performance. H.A. Gomperts, die zijn teksten 'heel goed' vond maar niet naliet op te merken dat 'Jaap van de Merwe zijn voordracht niet meehad', bleef hem in Het Parool zelfs na het tiende programma 'nog steeds de voormalige amateur' noemen.

Zijn beste vrienden, onder wie Gerard Cox, smeekten hem ermee op te houden en zich te beperken tot het schrijven voor anderen. Paul Beugels sloeg in de Volkskrant de spijker op zijn kop: “Lurelei is Lurelei omdat Guus Vleugel zijn werk afstaat aan vakmensen. Jaap van de Merwe is Jaap van de Merwe omdat Jaap van de Merwe zijn werk afstaat aan Jaap van de Merwe.” Van zijn tekstschrijverschap had hij royaal kunnen leven. Er lonkte een glanzende carrière als leverancier voor Kan, Sonneveld en Lurelei, maar Jaap van de Merwe was niet van het toneel te branden. Hij moest en zou zijn eigen teksten zingen. Het ergste was niet dat hij dacht de beste cabaretier van Nederland te zijn (dan wel te worden), maar dat hij dacht de beste zanger van zijn eigen teksten te zijn. Het vriendelijkste woord dat de pers voor zijn zingen over had was 'ontwapenend'. Dat woord kwam in alle kritieken voor. Onhandig maar ontwapenend. Stuntelig maar 'vertederend'. Amateuristisch maar 'innemend'.

Toch schreef hij geschiedenis, betoogt Van Gelder overtuigend. Hij was onmogelijk-lastig voor zijn collega's, hij was behept met complexen die varieerden van ziekelijk perfectionisme tot ziekelijke zelfoverschatting, hij ruïneerde de meest lucratieve vooruitzichten, maar hij maakte cabaret-geschiedenis. In 1960 sprak heel Amsterdam maanden over zijn eerste programma Alle gekken kijken (met Hansje Toussaint, Adèle Bloemendaal, Marjan Berk, Aart Brouwer), dat volgens Henk van Gelder baanbrekend cabaret was. Maar het krediet dat hij in die jaren bij de pers had, verbruikte hij door zijn vaak treurige voordrachten, tot vrijwel niemand meer een cent gaf voor de chansonnier Van de Merwe.

Isolement

Halverwege de jaren zeventig raakte zijn publiek op hem uitgekeken. Zijn produktie leed er niet onder, maar de artiest Van de Merwe had zijn scherpte verloren. Zijn maatschappijkritiek was obligaat en voorspelbaar geworden en zijn vrienden vreesden dat de dag waarop hij tijdens een voorstelling op rotte tomaten onthaald zou worden, niet ver weg meer was. Jaap van de Merwe eindigde als een brodeloze tekstschrijver, die tenslotte met zelfgeproduceerde cd's langs de deuren ging. Een muzikale carpetbeggar in Amsterdam-Zuid. Multatuli in de Michelangelostraat. In de jaren tachtig leek hij nog een kleine opleving te beleven bij Nooy's Volkstheater, dat artistieke triomfen vierde met zijn musical Hadjememaar, maar ook dit succes eindigde in minder dan een seizoen in een onherstelbare ruzie.

Henk van Gelder beschrijft Van de Merwes toenemende isolement, zijn mislukkingen, zijn eindeloze ruzies, de breuk met zijn vrouw (die er als een ongeschminkte heldin uitkomt) en zijn artistieke verval met mededogen en subtiliteit. Schrijnend mooi is het verhaal dat hij ontleent aan Jacques Klöters, die aanwezig was bij Jaap van de Merwes laatste poging om zijn publiek terug te winnen. Van de Merwe was geen schim meer van zijn grootheid van het Leidseplein en moest zich tevreden stellen met een zaaltje in het Heerenlogement in Beusichem, volgens Klöters, die hem er naar toe had gebracht, zoveel als de gelagkamer achter een restaurant. “In de auto was-ie al buitengewoon zenuwachtig, want dit zou het begin van een nieuwe carrière zijn. Er zat twaalf man publiek. Het was een vreselijke avond, waarbij de praatjes tussen de liedjes door nog extra bijdroegen aan het algehele gestoethaspel. Hij zat op een sarcasme en botte ironie, die al lang uit de mode was, en kreeg geen hand op elkaar. Na afloop, in het café, kwam er een man naar hem toe, die zei: Meneer Van de Merwe, dat moet u niet meer doen, daar bent u te groot voor geweest.”