'Inkijkoperatie kan heel verstandig zijn'; Hoofdofficier van justitie L. de Wit over opsporing

BREDA, 16 APRIL. Criminele informanten die in misdaadorganisaties zijn geïnfiltreerd overtreden noodzakelijkerwijs de wet. De Bredase hoofdofficier van justitie L. de Wit bepleit centrale richtlijnen voor in welke gevallen welke strafbare feiten toelaatbaar zijn. De Wit is voorzitter van de commissie die minister Hirsch Ballin moet adviseren over opsporingsmethoden in het recherche-onderzoek.

De commissie-De Wit is in het leven geroepen na de opheffing van het Interregionale Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT). Volgens de Amsterdamse hoofdofficier van justitie, de hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie en de burgemeester van Amsterdam gebruikte het IRT een opsporingsmethode waarvoor zij geen verantwoording wensten te dragen.

De discussie over de ethiek van het opsporingsonderzoek richt zich volgens De Wit op twee onderwerpen: op inkijk-operaties en op “de wijze waarop en de criteria aan de hand waarvan Justitie lokaal tot infiltratie-acties besluit en vervolgens beslissingen neemt over de begeleiding.” Bij inkijk-operaties betreden politiefunctionarissen in het geheim loodsen, schuren en bergruimtes van verdachten. De ongerustheid die onder andere door het Tweede-Kamerlid Kohnstamm (D66) en de deken van de Orde van Advocaten is uitgesproken over inkijk-operaties door de politie noemt De Wit “geweldig buiten proporties”. Volgens De Wit stellen deze operaties “absoluut niets voor”.

Een inkijk-operatie verandert volgens De Wit niets aan de “feitelijke situatie” zoals die door de politie wordt aangetroffen. “Het kan juist buitengewoon verstandig zijn om te doen. Zeker bij een opsporingsonderzoek van lange duur. Stel, je weet dat de verzendende organisatie acht van de tien keer wél verdovende middelen tussen de mango's stopt en twee keer niet. Dan wil je aan de vooravond van de inval natuurlijk wel weten of je gaat raakprikken. Dan verbreek je het slot en maakt een mango open. Dat is in alle opzichten verantwoord, daar is geen enkel belang mee geschaad.” Ook met het plaatsen van video-camera's in bergplaatsen heeft De Wit geen moeite. “Er wordt geobserveerd, waarmee dan ook.”

Of een strafbaar feit - gepleegd door een criminele informant van de politie - door Justitie wordt gedekt, is volgens De Wit van allerlei zaken afhankelijk. “De ruimte die je iemand biedt voor het toestaan van criminele activiteiten kan groter zijn wanneer het gaat om voorraden drugs dan wanneer wapens of kinderporno in het spel zijn. Je moet altijd in verhoudingen spreken.” Zo zou De Wit er niet tegenop zien proefzendingen van honderd kilo cocaïne toe te staan, wanneer het doel is een organisatie die tienduizend kilo op de markt brengt te ontmantelen. “Honderd tegen tienduizend. Dat leidt niet tot meer verslaving of een andere prijsstelling op de markt. Maar bij een zending van honderd Uzi's om een zending van duizend te onderscheppen zeg ik nee.”

De Wit betoont wel de uiterste terughoudendheid tegen 'lange-termijninfiltratie' door politiefunctionarissen. “De risico's dat iemand wordt gecorrumpeerd zijn groot. De fysieke risico's zijn aanzienlijk. Daar staat een geringe kans op succes tegenover. Bovendien kan de georganiseerde misdaad zich makkelijk tegen lange-termijninfiltratie wapenen.”

Wie zijn loopbaan bij een criminele organisatie begint, wordt volgens De Wit meestal in de divisie 'geweld' getest. “Dan laat je toe dat de fysieke en psychische integriteit van een politiefunctionaris wordt aangetast, om nog maar te zwijgen over die van derden.” Voor de Bredase hoofdofficier is dat een brug te ver.

Inkijk-operaties en infiltratie-acties vinden veelal plaats tijdens de fase voorafgaand aan een gerechtelijk vooronderzoek. Het onderzoek is dan gericht op versterking van de informatiepositie van de recherche. Deze zogeheten pro-actieve fase van het politie-onderzoek is niet binnen het Wetboek van strafrecht geregeld. De rechter speelt in deze fase geen enkele rol. “Alleen de zaaksofficier begeleidt het onderzoek in deze fase, in samenspraak met zijn hoofdofficier. De IRT-affaire maakt duidelijk dat die controle allerwege niet als voldoende wordt ervaren. De zaak moet strakker worden geregeld. Ook de controle van de Tweede Kamer op het pro-actieve onderzoek moet beter worden geregeld.”

De Wit erkent dat er vanuit het openbaar ministerie weinig is gedaan om de beslissingen in de pro-actieve fase van het opsporingsonderzoek te controleren. Wanneer een criminele informant tijdens de pro-actieve fase een strafbaar feit begaat, komt de rechter dat op dat moment niet te weten. Hij is dan immers nog niet betrokken bij het onderzoek. “Omdat de rechter de strafrechtelijke ruimte niet kan bepalen van het pro-actieve onderzoek, moet de officier van justitie dat doen. Maar dan moet die ruimte wel centraal gecontroleerd kunnen worden en uniform zijn. Nu worden nog te vaak in gelijke gevallen uiteenlopende beslissingen genomen.”

Uiteraard kan een rechter de toelaatbaarheid van een opsporingsmethode toetsen tijdens het proces, indien die methode daar aan het licht komt. In het algemeen zal de officier van justitie echter alles in het werk stellen om te voorkomen dat details over de toegepaste opsporingsmethoden tijdens de zitting in de openbaarheid komen.

De Wit pleit voor het instellen van een centrale toetsingscommissie die “de individuele magistratelijke ruimte van de officier inperkt”. Want weliswaar blijft de leiding van een onderzoek bij het lokale OM, “maar tijdens het onderzoek kunnen beslissingen genomen moeten worden waarvan het van het grootste belang is dat zij in den lande op gelijke wijze plaatsvinden”. Daartoe moet landelijk jurisprudentie met meer gedetailleerde richtlijnen tot stand komen.

De commissie kijkt met de lokale hoofdofficier in de aanvangsfase mee. Wanneer het strafbare feit niet in verhouding staat met het doel van het onderzoek zal de commissie nee zeggen. Dan mag het opsporingsmiddel niet worden toegepast. Wanneer de lokale hoofdofficier echter zegt dat het middel ontoelaatbaar is en de commissie zegt landelijk kan het wel, dan neemt procureur-generaal in Den Bosch, R.A. Gonsalves, die portefeuillehouder georganiseerde misdaad is, de eindbeslissing. Daartoe is hij gemandateerd door zijn collega's.

In het model dat De Wit voorstaat brengt de centrale toetsingscommissie verslag uit aan de vergadering van procureurs-generaal. Op hun beurt kunnen zij de minister verslag uitbrengen. De minister kan weer verslag uitbrengen aan de Kamercommissie voor veiligheidszaken. “Daarmee is voldaan aan de parlementaire controle.” Volgens De Wit is dit “een sluitend model” om opsporingsmethoden te controleren.

Bij dit alles is het van het grootste belang dat het OM volledig op de politie kan vertrouwen. “De sfeer moet niet zo zijn dat de politie - hongerig naar scoringsmogelijkheden - buiten het OM om zaken uithaalt waarvoor men geen verantwoording wil afleggen. Dat zou apert fout zijn.” “Want”, zegt De Wit, “een politie die uit de pas loopt is killing.”