Het Amerikaanse netwerk van Jean Monnet

Pascaline Winand: Eisenhower, Kennedy and the United States of Europe 432 blz., Macmillan 1993, ƒ 128,-

Pascaline Winand heeft met haar boek een belangrijke bijdrage geleverd aan de studie van de achtergronden en vooral aan de uitvoering van de Amerikaanse politiek tegenover het Europese eenwordingsproces. Terecht concentreert zij zich op het Eisenhower- en het Kennedytijdperk. Onder die twee Amerikaanse presidenten bloeide de onvoorwaardelijke steun aan de Europese eenwording met als hoogtepunt de Kennedythese, dat het succes van de Westelijke wereld behoefte had aan een Atlantisch bondgenootschap dat bestond uit twee gelijkwaardige partners: de Verenigde Staten en een hecht geïntegreerd West-Europa.

Er bestaat over die periode een overvloed aan literatuur. Het komt mij voor dat haar boek daaraan op twee punten iets toevoegt. Ten eerste geldt dat de minutieuze, uitstekend gedocumenteerde registratie van de chronologisch geordende gebeurtenissen. IJveriger en preciezer beschrijving is nauwelijks mogelijk. Maar ook - en dat is veel belangrijker - geldt dat voor haar beschrijving van de rol die Jean Monnet heeft gespeeld, en meer in het bijzonder zijn invloed op de Amerikaanse besluitvorming. Winand confronteert ons met een al bekend verschijnsel, maar haar aandacht voor die unieke invloed en hoe, en ten aanzien van wie, die invloed werd uitgeoefend is nieuw en volledig. De ondertitel van het boek zou dan ook beter hebben kunnen luiden: 'het Amerikaanse netwerk van Jean Monnet', hoewel de woorden 'the United States of Europe' al aangeven dat Winand een kind is uit de Monnet-school.

Met recht wordt aan de invloed van Monnet op de Amerikaanse politiek onder Eisenhower en Kennedy zo'n uitvoerige aandacht besteed. Vooral omdat die invloed groot en bijzonder effectief was, maar ook omdat wij te maken hebben met een uniek verschijnsel. Een man, die wel belangrijke functies heeft vervuld (regeringscommissaris van het naoorlogse Franse herstelplan en eerste president van de Kolen- en Staalgemeenschap) maar nooit hoge politieke functies heeft bekleed, creëert een netwerk in een groot, ander land dat bepalend is voor de naoorlogse periode en beïnvloedt, dikwijls in definitieve zin, de buitenlandse politiek van dat land.

Trouwe leden

Dat netwerk was van veel oudere datum dan de door Winand beschreven periode en stamt uit de Eerste Wereldoorlog, toen Monnet een belangrijke rol speelde in de samenwerking met de Verenigde Staten. Hij heeft de banden met zijn Amerikaanse vrienden altijd gehandhaafd, hoewel de personen uiteraard wisselden. Het netwerk onder Eisenhower en Kennedy was uitgebreid maar concentreerde zich toch in hoge mate op Foster Dulles, de minister van buitenlandse zaken onder Eisenhower, en George Ball, de tweede man op het State Department onder Kennedy. Het omvatte zowel Republikeinen als Democraten, een van de oorzaken dat, wat Monnets invloed betreft, geen breuk ontstond tussen de Eisenhower- en de Kennedyperiode.

Foster Dulles, George Ball, Mc. George Bundy, David Bruce, Douglas Dillon, John Tuthill, Walt Butterworth, Bob Schaetzel en vele anderen waren vaste en trouwe leden van de Monnet-club en vervulden hoge en invloedrijke functies. Winand noemt ze in haar boek de Europeanisten. Zij maakten in de Amerikaanse Europa-politiek jarenlang de dienst uit, maar nooit zonder nauw overleg met of op instigatie van Monnet en zijn directe omgeving, waarin onze landgenoot Max Kohnstamm een prominente rol vervulde.

Niet alles is rozegeur en maneschijn. Een zo exclusieve concentratie op Monnet en zijn Amerikaanse Europeanisten moet onvermijdelijk leiden tot over- en onderbelichting. Winand beschrijft onberispelijk, maar haar eigen mening wordt gedomineerd door de vraag of de besluitvorming paste in het concept van Monnet. Dat impliceert onderbelichting van de andere stromingen in de Amerikaanse besluitvorming, weinig aandacht voor het belang van het Marshall Plan, de OESO en de Europese Betalings Unie.

Ook is er sprake van onderbelichting, zeker in de Eisenhower-periode, van het belang van Duitsland en de dikwijls onvermijdelijke vergissingen in het beleid zoals de totale identificatie met het project van de Europese Defensie Gemeenschap, het drama van de Multilateral Force en de dogmatische stelling, dat een partnerschap alleen maar mogelijk is tussen twee gelijkwaardige partners. De geschiedenis kent daarvan echter geen enkel voorbeeld en de Amerikanen hebben werkelijke gelijkwaardigheid op veiligheidsgebied nooit doordacht en ook nooit aanvaard.

Het is altijd verleidelijk om in een zo uitvoerig boek de rol van Nederland te registreren. Het antwoord kan kort zijn: die rol wordt niet beschreven. Dat is voor een belangrijk deel het gevolg van de kloof tussen onze perceptie van die rol en de perceptie van de rest van de wereld. De enige vertegenwoordiger van een klein land, die uit de verf komt in het boek, is Paul Henri Spaak. Beyen wordt één maal terloops genoemd terwijl het historisch vaststaat dat Beyens rol bij het weer op gang brengen van de Europese integratie na het échec van de Europese Defensie Gemeenschap in 1954, buitengewoon groot is geweest. Ook de rol van Luns bij het torpederen van het plan-Fouchet in 1961 komt niet uit de verf.

Winand heeft overigens wel begrip voor het Benelux-standpunt, dat toelating van Engeland tot het politieke overleg te verenigen valt met de sterke Beneluxvoorkeur voor een zo hoog mogelijk gehalte van supranationaliteit in de Europese integratie - een standpunt dat door de Fransen en de Duitsers steeds onlogisch of hypocriet werd genoemd. Zij formuleert dat als volgt: “Het standpunt van de Benelux was eenvoudig. Als Engeland zou worden toegelaten, waren ze bereid een veer te laten op het punt van de supranationaliteit. Als Engeland niet werd toegelaten, hielden ze vast aan de supranationale voorkeur omdat zij dat de beste bescherming vonden voor de belangen van kleine naties.”

Pragmatischer

Winand heeft een uitstekend boek geschreven, dat niet alleen van belang is voor de specialisten, maar ook nuttig is voor een grotere kring omdat veel elementen herkenbaar zijn in de huidige perikelen van Brussel. Dat het juiste evenwicht soms ontbreekt, door haar engagement met de conceptie van Monnet, neem ik graag op de koop toe.

De periode, die ze uitzocht, is juist. Na Kennedy neemt de invloed van de Europeanisten in Amerika af en verdwijnt onder Nixon. Nixon en Kissinger waren niet tegen Europese integratie, maar ze waren pragmatischer en minder geneigd te denken dat de exclusiviteit van het gelijkwaardig partnerschap tussen Amerika en het geïntegreerde Europa per definitie in het Amerikaanse belang was. In die opvatting heeft de politiek van Frankrijk in het algemeen en die van de Gaulle in het bijzonder hen gesterkt.

    • E.H. van der Beugel