Herinneringen aan Golo Mann

Golo Mann stond langdurig in de schaduw van vader Thomas. Misschien kan men zeggen dat Thomas' dood Golo's talent bevrijdde. Een schutterig kind ontwikkelde zich tot dwars historicus en schrijver van hoge literaire kwaliteit. Golo Mann overleed vorige week.

Golo Mann was een melancholiek mens. 'Ein Meister der Abschiedstimmungen', zoals de Frankfurter Allgemeine vorige week schreef. Op 7 april dwong een ziekte hem op 85-jarige leeftijd zelf afscheid van dit leven te nemen, waarmee niet alleen het doek viel over zijn eigen formidabele optreden als historicus en commentator van zijn tijd, maar ook over de presentie op onze aardbol van 'the amazing family', zoals Harold Nicholson de familie van Golo's vader, Thomas Mann, ooit noemde. Het is waar, de twee jongste zusters uit het gezin van zes waarin Golo opgroeide leven nog. Maar de laatste echte stadhouder van de familie Mann was Golo, die dan ook tot kort voor zijn dood in het laatste huis van zijn ouders aan de Alte Landstrasse in Kilchberg aan de Zürcher See was blijven wonen. Een villa uitkijkend op het meer, met boekenkasten uit het oude 'Buddenbrook-huis' in Lübeck, waar ik de alleen wonende Golo Mann vanaf het eind van de jaren zeventig een aantal keren heb bezocht.

Opgroeien als de zoon van Thomas Mann en als broer van de twee inspirerende oudste kinderen in het gezin, Klaus en Erika, mag voor een buitenstaander ideaal lijken. Golo Mann had het moeilijk met de afstandelijke olympische vader en zijn gevatte briljante broer en zuster. In de dagboeken van zijn vader en de herinneringen van zijn moeder wordt het kind Golo beschreven als een onhandig, clownesk jongetje met drie linkerhanden, viezig en afwisselend onhandelbaar en overdreven hulpvaardig. Zelf vertelde hij mij eens hoezeer hij zich lange tijd de mindere had gevoeld van Klaus en Erika. We aten in een hotel-restaurant, niet ver van zijn huis. In de jaren dertig had de hele familie er eens gelogeerd. Lawaaiige, van zelfvertrouwen blakende nazi's in uniform met een grote patserige auto zaten ook in het hotel. Erika en Klaus slopen 's nachts naar buiten en gooiden een zak suiker in de benzinetank van de nazi-auto. “Zoiets had ik nooit gedurfd,” zei Golo. “Ik keek alleen vol bewondering uit het raam.”

Zelf schrijft Golo in zijn prachtige Erinnerungen und Gedenken. Eine Jugend in Deutschland (1986) dat zijn jeugd ellendig was, dat hij zich eenzaam en onbegrepen voelde en voor het eerst pas een beetje wortels had geslagen in zijn kostschool Salem aan het Bodenmeer, het beroemde instituut van Kurt Hahn, die een vaderlijke vriend werd voor de alleen in geschiedenis briljante leerling Golo Mann. Hahn begreep meer van de puber Golo, wiens grootste ideaal toen was een geslepen boef te worden à la Napoleons politiechef Fouché, dan de beroemde ouders aan de Poschingerstrasse in München. Hij bracht hem af van allerlei wangedrag en leerde hem iets dat voor Golo Mann van levenslange betekenis zou zijn: veel rampzaligs gebeurt niet omdat het onvermijdelijk is, maar omdat mensen van kwade wil het zo wensen.

Deze les werd nog versterkt door Karl Jaspers, bij wie hij in Heidelberg filosofie studeerde. Maar als persoon was Kurt Hahn hem duidelijk sympathieker dan de stroeve, stijve professor, met wie tenslotte het contact werd afgebroken nadat Mann een scherpe kritiek had geschreven op het Eichmann-boek van Jaspers' favoriete leerlinge Hannah Arendt, volgens Golo een overschatte, trendy schrijfster. Aan Hahn wijdde hij vele bewonderende bladzijden in zijn herinneringen. Maar kritiek vermeed hij niet. Hahns 'Führerprincipes', zijn onderdrukte homoseksualiteit, zijn denkbeeld de wereld te kunnen veranderen door het kweken van een kleine in 'fair play' getrainde elite verwierp Mann uiteindelijk. Tot ontsteltenis van heel wat 'Altsalemer'. De bewonderenswaardige anti-nazi-officier Axel von dem Bussche, neef van prins Claus en na de oorlog aan paar jaar headmaster van Salem, zei mij eens: “Dat had Golo niet moeten schrijven.”

Maar Golo schreef het wel. Hij was van een rigoureuze eerlijkheid en schrok er niet voor terug met hartstocht en verontwaardiging de pen te voeren. Het motto van de door hem zo bewonderde Tacitus dat geschiedschrijving 'sine ira et studio' zou moeten worden bedreven had in hem geen trouwe navolger. Het grondige, minutieuze onderzoek dat hij ten grondslag legde aan zijn werk frustreerde zijn neiging tot oordelen en tot het scheppen van een sterk persoonlijk gekleurd, eerder artistiek wereldbeeld niet. Zijn magnum opus, de biografie van Wallenstein, is ondanks alle historische acribie dan ook primair een epos dat Schillers 'Gesamtkunstwerk', de liefde uit Manns jeugd, naar de kroon wil steken.

In artikelen over Golo Mann, ook in het essay van Marcel Reich-Ranitzky in Thomas Mann und die Seinen, is steeds breed uitgemeten hoezeer Golo onder zijn koude, lastige, aan tafel soms tierende vader zou hebben geleden. Zijn jeugd lang zou hij het onbeminde kind geweest zijn. Ook later zou hij niet zeker geweest zijn van de waardering van 'Der Alte'. Hierin steekt zeker veel waars. Maar uit Thomas Manns dagboeken en nog meer uit de correspondentie met Agnes Meyer is de afgelopen jaren gebleken dat vader Mann steeds meer met zijn tweede zoon op had. “Juist deze zoon ligt Tommy zeer na aan het hart,” schreef Katia Mann aan Agnes Meyer in een van de vele verzoeken om hulp bij het bevrijden van Golo, die door de Fransen in 1940 was gearresteerd en aan de Duitsers dreigde te worden uitgeleverd.

Bijna verlegen zei Golo Mann eens tegen me dat hij als kind en jongeman er niet zo goed afkwam in de notities van zijn vader, maar dat hij later zo hoog door de 'Zauberer' werd aangeslagen dat je ervan moest blozen. Dat was geen aanstellerij. Reich-Ranitzky schrijft terecht dat Mann in zijn herinneringen iets verbluffends tot stand brengt door nooit ijdel en nooit koket te zijn.

Mijn eerste contact met Golo Mann was telefonisch, eind jaren zeventig. Hij was net terug uit Lübeck, waar zijn vaders nagedachtenis met een symposium geëerd was. Op mijn vraag of hij er ook gesproken had zei hij met naar mijn idee oprechte bescheidenheid: “Oh nee, daartoe zou ik helemaal niet competent zijn. Mijn jongere broer Michael, die germanist is, heeft gesproken. Hij is een vakman.”

Dat was natuurlijk onzin. Golo Mann ontwikkelde zich tenslotte zelf tot een schrijver van hoge literaire kwaliteit. Zijn lichte, de lezer meteen bij het verhaal betrekkende toon, zijn niet ver van de stam vallende ironie en humor, de trefzekere typeringen, zijn ondertoon van weemoed vormden met elkaar een stijl en verteltrant, die uniek waren in de Duitse geschiedschrijving van zijn tijd. De wereldliteratuur was hem van kind af aan vertrouwd. Tientallen vooraanstaande schrijvers had hij persoonlijk gekend. Hij vertaalde gedichten uit het Spaans en het Latijn. Uit de paar dagboekaantekeningen die hij zelf publiceerde blijkt dat hij als jonge man al aan het schrijven van een satirisch 'Lustspiel' dacht.

Het is zeker waar dat dit schrijverschap pas tot bloei kwam na de dood van zijn vader in 1955. Daarvoor publiceerde hij naast artikelen (zijn allereerste publikatie was in een Heidelberger studentenblad waarin hij kritiek op zijn vader uit ultrarechtse hoek weerlegde) alleen een biografie van de 'intrigant tegen Napoleon' en latere rechterhand van Metternich: Friedrich von Gentz en een kritisch-bewonderend boek Vom Geist Amerikas over het land waar hij en zijn familie toevlucht hadden gevonden toen Europa onherbergzaam was geworden. De eigen toon hebben zij nog niet, het zijn nog stijve boeken, die de wat plechtige, onhandige om niet te zeggen schutterige jonge Golo Mann in herinnering roepen. Nadine Gordimer, die enige jaren geleden de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, kende die Golo Mann als de studievriend uit Heidelberg van haar man Reinhold Cassirer. Zij zei mij eens niet te kunnen geloven dat de Golo Mann die zij vroeger gekend had ooit goed had leren schrijven.

Misschien kan men zeggen dat Thomas Manns dood Golo's talent bevrijdde. Ook zijn visie op de wereld kon hij toen pas ongeremd publiceren - zijn visie op de Bondsrepubliek, op Adenauer als de grote staatsman die Duitsland aan het Westen had gebonden waardoor de heilloze Duitse ambities naar Europese hegemonie naar hij hoopte voorgoed ten grave waren gedragen, zijn visie op Amerika dat hij ondanks McCarthyisme bleef bewonderen. Thomas Mann kon hij er niet van overtuigen. “De invloed van mijn oudste zuster op mijn vader was op dit punt te groot,” zei hij daarover resignerend.

Kort voor zijn dood verhuisde Golo Mann van Zwitserland naar Leverkusen, naar het Duitsland waar hij zich na terugkeer uit Amerika in 1958 maar tijdelijk vestigde. Hij was al eens eerder uit het ouderlijk huis in Kilchberg naar Duitsland vertrokken, en wel om de boze vibraties van 'die Hexe' te ontlopen, de volgens hem met magische krachten behepte huishoudster van zijn moeder, die hem en zuster Erika haatte (hij vertelde mij eens er van overtuigd te zijn dat 'die Hexe' de voortijdige dood van Erika in 1969 had bewerkstelligd), maar die op wonderbaarlijke wijze zijn moeder tot haar 96-ste jaar in leven had weten te houden. “Was ik in Kilchberg gebleven, dan had ze mij ook het graf in gekregen,” zei hij toen.

Nu, vijftien jaar later, heeft hij de dood, 'ein Meister aus Deutschland', niet weten te ontlopen. Leverkusen werd Golo Manns Ispahan. Wie hem gekend heeft kan niet anders dan delen in de weemoed, waarmee hij het leven bekeek.

    • André Spoor
    • Oud- van Nrc Handelsblad