Gemma Hussey, Iers schrijfster en ex-minister: 'We zijn doodziek van het geweld dat uit onze naam wordt aangericht'

Gemma Hussey: Ireland Today. Anatomy of a changing state; 536 blz., geïll., Viking 1993, ƒ 65,70

In Ierland begint het belangrijkste nieuwsbulletin van de dag op televisie niet om zes uur, maar om één minuut over zes. Die eerste minuut klept het Angelus nog in de verte, zoals in Nederland veertig jaar geleden bij de KRO-radio vóór het nieuws van één uur. Ierland is een land waar je nonnen in de bioscoop ziet en waar twee roodharige straatmuzikantes, moeder en dochtertje, voor geld en plezier muziek maken in Grafton Street - op een grote en een kleine harp. In Ierland spelen politieke bijeenkomsten zich af in danszalen in plaatselijke hotels. Daar worden achter de hand zaken gedaan tussen landelijke politici en hun kiezers, volgens een nog steeds bestaand 'cliëntelisme' dat alleen in Italië zijn weerga kent.

In Ierland wordt - formeel - nog steeds niet gescheiden en - formeel - nog steeds nauwelijks geaborteerd. In Ierland zijn voorbehoedsmiddelen pas sinds kort vrijelijk verkrijgbaar voor niet-getrouwde mensen en in Ierland heeft de éne homoseksuele senator die voor zijn geaardheid durfde uit te komen een eind aan strafbaarheid van homoseksualiteit bij het Europese Hof in Straatsburg moeten afdwingen, lang nadat zelfs Engeland die stap al gezet had.

Maar Ierland, het eiland àchter een eiland, aan de uiterste westkust van een verenigd Europa, is aan het veranderen. Oude vanzelfsprekendheden worden ter discussie gesteld, de rooms-katholieke kerk ziet haar dominante positie verdwijnen, en Fianna Fáil, de 'natuurlijke' regeringspartij voor de meeste tijd dat de Ierse Republiek heeft bestaan, ontdoet zich aarzelend van haar terugblikkend conservatisme en bekeert zich, zeventig jaar na dato, alsnog tot de geest van de twintigste eeuw.

Het symbool voor dat veranderende Ierland is de president, Mary Robinson. Haar foto siert dan ook de omslag van het boek dat Gemma Hussey, ex-minister in het liberale kabinet van Garret FitzGerald (Fine Gael), over Ierland heeft geschreven. In Hussey's ontleding van een staat-in-verandering - de ondertitel van Ireland Today - komt Mary Robinson bovendien veelvuldig voor. Zij was het die na haar verkiezing in november 1990 's avonds nog de woorden gebruikte die Ierland nooit eerder gehoord had, maar sindsdien ook nooit meer heeft vergeten.

Ze zei: “Ik ben gekozen door mannen en vrouwen, van alle partijen en partijlozen, door velen met een grote zedelijke moed, die de verbleekte vlaggen van de Burgeroorlog lieten voor wat zij waren en die hun stem uitbrachten voor een nieuw Ierland. En boven alles ben ik gekozen door de vrouwen van Ierland - Mná na hÉireann - die, in plaats van de wieg te schommelen, het stelsel in beweging hebben gezet. En die massaal naar voren zijn getreden om hum stempel op het stembriefje te drukken en daarmee op een nieuw Ierland.”

Te feministisch

Gemma Hussey heeft veel te horen gekregen over het feit dat ze Mary Robinson zo veelvuldig noemt in haar boek. En het is misschien een teken van gebrek aan verandering in Ierland dat sommige critici haar boek om die reden 'te feministisch' vonden. Zelf haalt ze daarover grinnikend haar schouders op. De enige reden dat de naam van Robinson telkens weer opduikt, zegt ze, is dat zij die telkens weer tegenkwam toen ze de veranderingen in de Ierse samenleving wilde beschrijven.

De presidente was destijds een prominent juriste en voorvechtster voor gelijke rechten (vooral die van vrouwen en vooral op het gebied van seksuele moraal) en stond model voor de stand gekomen veranderingen. En sinds ze, als kandidate van de eveneens sterk in opkomst zijnde Ierse Labour Party, bij verrassing de presidentsverkiezingen won, heeft ze, in de woorden van een bewonderaarster, geciteerd in The Irish Times van 7 november 1991, 'een nieuw gezicht aan de staat gegeven'. “Voor mij was 'de staat' altijd ergens anders, maar zij heeft dat veranderd. Op die manier is ze een ondermijnende kracht en dat vind ik fantastisch.”

Gemma Hussey schrijft dat Ierland in de jaren tussen 1970 en 1990 meer veranderd is dan in de hele eeuw daarvoor. Een teken daarvan is het stemgedrag van de Ierse bevolking. In de verkiezingsuitslag van januari 1993 was voor het eerst zichtbaar hoe de oude politieke credo's, nog daterend uit de tijd van de vrijheidsstrijd tegen de Britse onderdrukker, hun inhoud hadden verloren. Labour, de partij van de goddelozen, verdubbelde zijn aanhang tot 33 zetels in de Daíl, het Ierse parlement en dwong daarmee een sterk hervormingsgerichte coalitieregering af. Voor het eerst hadden de leiders van de twee grote partijen uit de geschiedenis van het zelfstandige Ierland, Fianna Fáil (strijders van Ierland) en Fine Gael, geen enkele familierelatie met de leiders uit de burgeroorlog van de jaren twintig. En de katholieke kerk - lang de dominante factor in het leven van elke inwoner van Ierland, of die dat nu wilde of niet - zag haar onvermogen om nog moreel gezag uit te stralen treffend geïllustreerd door de crisis rond bisschop Eamon Casey. Hij bleek een buitenechtelijk kind te hebben verwekt, dat hij jarenlang in het geheim financieel had onderhouden.

Hussey's oordeel over de kerk, die grote opvoeder van het Ierse volk, is hard: conservatief bij het achterlijke af, hypocriet als het erop aankomt het eigen functioneren te beoordelen, niet in staat tot intellectueel debat met wie dan ook en geheel in zichzelf gekeerd: “Er is in Ierland geen katholieke intelligentsia.”

“Geboren en getogen in de katholieke kerk,” zegt Hussey van zichzelf, “net als 95 procent van de Ierse bevolking. Altijd naar katholieke scholen geweest, door mijn ouders naar een heel strenge katholieke kostschool gestuurd. Al het geld dat ze overhielden uit de drogisterij ging naar de opvoeding van de kinderen. Toen het op studeren aankwam ging ik naar University College Dublin. Het kwam niet eens in ons op dat je ook naar Trinity (protestants en als zodanig tot 1970 verboden gebied voor katholieken) kon. Dat was een vreemd oord. We kènden niet eens iemand die naar Trinity ging of er was geweest.”

De universiteit en het contact met medestudenten maakten Hussey niettemin tot “een typische Dublin-liberaal”. Op haar 26ste besloot ze niet langer naar de mis te gaan, vooral uit protest tegen Humanae Vitae. “In de jaren zestig rebelleerde je vaak, maar dit was evident. Ik wilde zelf de controle hebben over mijn vruchtbaarheid en dat niet laten afhangen van de een of andere dwaze, oude kardinaal.” Haar ouders, overigens niet bijzonder religieus, vertelde ze niets over haar besluit. “Ik wilde ze niet van streek brengen.”

Nu behoort ze, met haar gezin, tot de twintig procent van de Ierse bevolking die niet langer naar de kerk gaat. Ze stuurt haar kinderen naar een religieus 'gemengde' school.

Heilige communie

In 1949, bij de begrafenis van de eerste president van Ierland (Douglas Hyde, een protestant) moesten leden van de regering buiten de kerk zitten wachten in hun regeringsauto's omdat de katholieke hiërarchie hun niet toestond een voet te zetten in een protestantse kerk. Die houding is radicaal veranderd. In 1992, bij de herdenking van het 800-jarig bestaan van de protestantse kathedraal van Sint Patrick, trad het hoofd van de Ierse katholieke kerk, kardinaal Cahal Daly, daar zelfs op als gast-preker. Maar Gemma Hussey ziet dat optreden niet als bewijs van progressie. Haar eigen goed verborgen 'goddeloosheid' kwam haar duur te staan in haar carrière als minister in de jaren tachtig. Toen ze bij de opening van het schooljaar als minister van onderwijs een grote mis moest bijwonen, werd haar een plaats gewezen op een aparte prie-dieu, vóór 3500 misgangers in de banken achter haar.

“Daar zat ik dan, geknield, in mijn eentje, briesend dat ik mijn departement niet beter had voorgelicht. Maar het ergste was het moment van de heilige communie. Tot mijn ontzetting wachtte de hele congregatie op de minister. Die werd verondersteld eerst te gaan. Ik heb me tenslotte, voor het oog van al die bisschoppen, moeten omdraaien naar mijn particulier secretaris, die toen toeschoot. Ik zeg: 'Jezus, man, ik gá niet ter communie, ga jij maar.' Hij werd lijkbleek, maar deed wat hem gezegd werd. Toen wist natuurlijk iedereen wat er aan de hand was en vanaf dat moment was de kerk nauwelijks meer toegankelijk voor wat ik, nu officieel a lapsed catholic, als minister wilde. Toen ik een vierjarenplan uitbracht, kwamen haar vertegenwoordigers klagen: waar waren de waarden uit het evangelie? Toen ik antwoordde dat de nota over onderwijs ging en niet over religie, waren ze geschokt en spraken er schande van. Garret (FitzGerald), een heel emotionele man, kreeg tranen in zijn ogen toen ik het hem vertelde en zei eerst: 'Je hebt volkomen gelijk dat je vasthoudt aan je principes.' Later aarzelde hij weer: of ik misschien niet beter toch...?”

Vermoeide mensen

Hussey's tweede grote kritiekpunt richt zich tegen het politieke bedrijf in Ierland. Zelf verliet ze het politieke toneel na twaalf jaar vrijwillig, omdat ze ook nog een ander leven voor zich zag. Een dergelijke stap is in Ierland hoogst ongebruikelijk. Politici - de voormalige premier Charles Haughey is hèt voorbeeld - klampen zich vast aan hun functie tot ze door hun partij worden gedwongen te gaan of tot ze er dood bij neervallen. Volgens Hussey wordt de Ierse politiek grotendeels beoefend door vermoeide mensen, wier gehalte toch al niet erg hoog was.

Het Ierse kiesstelsel, een hoogst gecompliceerd systeem van evenredige vertegenwoordiging dat erop is gericht de kleinst mogelijke minderheid nog invloed te geven, noemt zij 'belachelijk'. “Onze parlementariërs worden meer gekozen vanwege het pensioen van Mrs Murphy's in hun gemeente dan omdat ze zich druk maken over de vraag hoe ze, pakweg, Sinn Féin moeten laten ophouden mensen te vermoorden. Je boft dus als je een paar goeie afgevaardigden in de Dáil krijgt, want om hun kaliber worden ze niet gekozen. En als ze eenmaal afgevaardigde zijn, moeten ze nog het grootste deel van hun tijd in hun kiesdistrict doorbrengen.”

Hussey verwijt de kerk ook dat zij, met haar ijzeren greep op het onderwijs, geen intellectueel debat over de politieke structuur van Ierland heeft aangewakkerd. Het onderwijssysteem heeft geen ondernemingslust aangekweekt en geen begenadigde zakenmensen uitgespuwd, die bereid waren de bestaande situatie kritisch te herwaarderen. “We hebben fantastische artsen en juristen en uitstekende ambtenaren. Maar voor de rest zijn onze verstandelijke vermogens in de richting van een levendige cultuur gedirigeerd. Daarom zijn wij Ieren zo goed in theater en muziek en hebben wij zulke begaafde schrijvers. Maar de politieke stelsels, die voor verandering moeten zorgen, zijn nog steeds even hopeloos en niet geschikt voor een land dat een moderne, Europese democratie aan het worden is.”

De grote impuls tot verandering in Ierland komt van jonge mensen. Daar heeft Ierland er heel veel van. Zoveel dat massale emigratie van jongeren, op zoek naar werk, nog steeds het hart van ouders breekt. “We hebben alles net zo gedaan als de andere landen in West-Europa, behalve de omvang van de gezinnen in toom houden,” merkte een Ierse bewindsman eens somber op. Bij een levensstandaard die gemiddeld de laagste is van de hele EG (69 procent) is meer dan twintig procent van de beroepsbevolking zonder werk en het ziet er niet naar uit dat dit binnenkort beter wordt.

“Natuurlijk,” erkent Gemma Hussey, “de Ierse bevolking is altijd geëmigreerd. Maar het is voor het eerst in de geschiedenis dat de jonge mensen, die vertrekken, terùgkomen. Reizen is gemakkelijker geworden en een vertrek naar elders in de wereld heeft niet meer die awful finality. Jongeren worden nu blootgesteld aan de volle kracht van de internationale, Engelstalige media. De waarden en tegenstellingen waarmee Ierland zo lang is opgezadeld, beginnen voor hen hun relevantie volledig te verliezen. Toen ik laatst over de radio een verhit debat van drie kwartier had met een vertegenwoordiger van de clerus, die een oneerbiedig artikel over de paus in een studentenblad wilde verbieden, vroeg ik mijn zoon na afloop wat hij ervan had gevonden. “Ach mam,” zei hij. “Ik heb het eerste kwartier geluisterd. Het interesseerde me niet echt. Wat maak je je eigenlijk druk? Don't you see? You're chipping away at a crumbling cliff face anyway.”

Hussey: “Ik ben vervuld van hoop. Ierland verandert zo snel, dat er geen stoppen aan is, denk ik. Maar ik maak me ook zorgen. Want de kans bestaat dat hier de reactie tegen vooruitgang al optreedt vóór die werkelijk is geboekt.”

Echtscheiding

Deze herfst gaan de Ieren opnieuw naar de stembus, voor een referendum over een groot moreel dilemma: dat van echtscheiding. Hoewel huwelijken in Ierland net als elders in de wereld stranden, is echtscheiding wettelijk nog steeds onmogelijk. Dat leidt tot tragedies voor tweede partners en tot enorme complicaties in het toedelen van eigendoms- en nalatenschapsrechten. Een vorig echtscheidingsreferendum, in 1986 onder een Fine Gael-regering, eindigde in een overwinning voor de tegenstanders, die openlijk werden gesteund door de katholieke kerk en door de 'neutrale' opstelling van Fianna Fáil in oppositie.

Hussey, destijds minister, vreest een herhaling van die uitslag. De Ierse vrouwenbeweging lijdt onder de backlash tegen feminisme, die overal in de Westelijke wereld gaande is, en is niet langer sterk en uitgesproken. De Fianna Fáil-Labour-coalitie die aan de macht is, beschouwt het referendum slechts als het inlossen van een noodzakelijke belofte en voert maar halfslachtig campagne. De zogeheten 'zedelijke meerderheid' van uiterst rechts in Engeland en Amerika daarentegen loopt zich nu al warm; zij ziet in Ierland één van de laatste bolwerken van family values en verheerlijking van het gezin. “Zij geven,” aldus Hussey, “openlijk steun aan het rechtse, ultra-conservatieve, ultra-katholieke element in SPUC (de maatschappij tot bescherming van het ongeboren kind). Er zijn twee hier veel geciteerde dichtregels die voor mij precies uitdrukken wat er op dit gebied in Ierland gaande is: 'The worst are full of passionate intensity/ The best lack all conviction.'

“Niemand, ook Labour niet, durft over dit onderwerp de leiding te nemen en erop uit te gaan en op deuren te kloppen, zoals je moet doen in Ierse verkiezingen, wil je stemmen meekrijgen. Mijn eigen partij, Fine Gael, is onder John Bruton teruggevallen in je reinste conservatisme en heeft de liberalen naar de backbenches verbannen. Ik zweer je, soms voel ik me wel eens schuldig dat ik niet meer in de politiek zit.”

Ik vraag Hussey hoe ze zich voelt als ze op haar reizen over de wereld moet uitleggen dat ze Ierse is. Ze beaamt meteen dat het woord 'Ierland' tot in Midden-Amerika de reactie 'boem-boem-boem' oproept. “Dat is één van de redenen waarom ik het boek (waarin één hoofdstuk aan Noord-Ierland is gewijd) geschreven heb. Verreweg de meeste mensen hier willen met Noord-Ierland niets te maken hebben.” Doelend op de aanslagen van de IRA en het negeren van het Brits-Ierse vredesvoorstel, zegt ze: “Ik bezweer je: als het zo doorgaat, dan zie ik nog gebeuren dat een referendum over een herenigd Ierland hier in het zuiden op een 'nee' uitloopt. We zijn hier ziek, doodziek van het geweld dat uit onze naam wordt aangericht. Het heeft niets met ons te maken.”

Minachting

Ze noemt een ander stereotype waar ze onder lijdt. “Het lichte minderwaardigheidscomplex dat we hebben tegenover de Britten. Tegenover die Engelsen die ons terribly amusing en rather uncultured vinden: paddies. Die stereotypering vinden we uiterst vervelend, kan ik je zeggen. Sir Patrick Mayhew (de Britse minister voor Noord-Ierland) heeft het soort accent dat dat soort minachting uitdrukt.”

Hussey giechelt en vertelt het verhaal van haar goede vriendin, de Europese parlementariër Marie Benotti. Die probeerde in het Europees Parlement eens een kort betoog in Gaelic, de officiële Ierse taal, te houden. “De voorzitster van die zitting was een Engelse dame-van-stand, een van die (bekakte toon) frightfully English ladies. Zij ontnam Marie op scherpe toon het woord. En Marie” - Hussey giechelt weer - “zei tegen mij: 'Gemma, het moet uit mijn collectief geheugen zijn gekomen, maar opeens voelde ik alsof die stem kwam van iemand op de rug van een paard, die me opdroeg het hek voor haar te openen.' Weet je wat ik bedoel? De stem en de toon van de heer en meester, de landheer, met een zweep in zijn hand.”

    • Hieke Jippes