Duivels maken zich steeds minder druk om een enkele ziel

Duivels en Demonen. Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Nieuwegracht 63 in Utrecht. Tot en met 26 juni. Di t/m vr 10-17, za, zo en feestdagen 11-17. Catalogus ƒ 25,-

Naast de tentoonstelling Duivels en Demonen zijn er drie theaterprodukties in Utrecht te zien. De eerste, Gilles en de Nacht van Hugo Claus, wordt vanaf 17 mei opgevoerd. Filmtheater 't Hoogt vertoont van 2 tot en met 8 juni zeven verschillende films die met het duivelsthema te maken hebben.

Het begint goed griezelig. Via de museumtrappen, voor deze gelegenheid voorzien van de afdruk van gespleten hoeven, komen bezoekers van het Catharijneconvent onverhoeds voor een felrood duivelspak te staan. De duivel trad in 1986 op in een choreografie van Jirí Kylián voor L'Histoire du Soldat van Ramuz/Strawinsky. Een gehoornde, grijnzende kop, een dunne staart en een fladderende cape maken ook zonder zwaveldampen duidelijk dat hier De Boze danst, op zoek naar de ziel van Jozef, de soldaat.

Het theaterkostuum behoort tot de ruim tweehonderd objecten - boeken, schilderijen, grafiek, tegels en beeldhouwwerk - die voor de tentoonstelling Duivels en Demonen in Utrecht zijn bijeengebracht. Chronologisch valt de expositie in drieën uiteen: de periode van 1050 tot 1550, het tijdvak daarna tot 1800 en de laatste twee eeuwen. Als achtergrond en leidraad kreeg elk tijdvak een aparte kleur, rood, grijs en blauw.

In de rode periode is alles herkenbaar en overzichtelijk. In de hel laaien de vlammen hoog op; braadroosters en tangen zijn in vol bedrijf. Duivels en demonen zijn harige engerds met horens, bokkepoten en gluiperige tronies. Ze zijn vermomd als Jeroen Bosch-achtige reptielen en insecten, of als monsters geassembleerd uit onderdelen van zwijn of schorpioen. Juist doordat ze zo goed zijn te identificeren, slagen ze er niet vaak in een mensenziel naar hun infernale hol te sleuren. In het museum blijven Job, Antonius Abt en Christus standvastig en onverstoorbaar tegenover de bekoringen van Satan en zijn trawanten. Ook de materiële uitschakeling van het duivelsgebroed verloopt gunstig. Aartsengel Michaël doorboort moeiteloos zijn belager. Iets hachelijker lijkt aanvankelijk de situatie van Margaretha, een meisje dat volgens de legende weigerde een heiden te trouwen en als straf in de cel werd geworpen. In haar opsluiting kreeg zij bezoek van de duivel in de gedaante van een draak. De draak vrat Margaretha op maar zij liet, eenmaal in de buik van het dier beland, zijn lichaam openbarsten en stapte vervolgens ongedeerd naar buiten. (Een sterk staaltje dat haar in de Middeleeuwen tot patrones van zwangere vrouwen maakte). Door Margaretha's geschiedenis geïnspireerd hakte een anonieme, vijftiende-eeuwse Noordfranse beeldhouwer een expressieve sculptuur. Een draak met grote lelijke tanden heeft het meisje al grotendeels naar binnen gewerkt. Hij is kennelijk met haar hoofd begonnen, want uit zijn bek hangt nog slechts een flard van Margaretha's rok. De beeldhouwer was een goed psycholoog: hij wist dat het gruwelijke vaak een aantrekkelijker schouwspel biedt dan het heilige.

In de periode na 1550 gaan duivel en demonen een rol spelen in de geloofsstrijd tussen protestanten en katholieken. Vooral de eersten laten zich niet onbetuigd, zoals een gravure van Coornhert uit 1573 toont. Op de achtergrond van deze prent uit de serie De ontaarding van de katholieke geestelijkheid onthult Erasmus dat onder de kap van een monnik een wolfskop verborgen zit. Op de voorgrond trekt Luther het gewaad van de paus omhoog waardoor de duivelspoten en -armen van de Heilige Vader zichtbaar worden. Erg subtiel is de voorstelling niet. De tuinman die, rustend op zijn schop, de bijbel leest, trekt zich er terecht niets van aan.

Om een enkele particuliere ziel maken de duivels zich steeds minder druk. De voorstellingen worden abstracter en representeren in allegorische afbeeldingen het universeel slechte in de menselijke geest. Een houtsnede uit 1555 is kenmerkend voor dit allegorische gebruik. Een nauwelijks afschrikwekkende menselijke gestalte verbeeldt de zeven hoofdzonden. Het hoofd is dat van een leeuw, iets dat op de Hoogmoed duidt; het ontbreken van de rechterhand verbeeldt een andere kapitale ondeugd, de Gierigheid.

In de negentiende eeuw zet de inflatie van de demonische kracht door. Op een illustratie van Gustave Doré (1884) bij een uitgave van Miltons Paradise Lost is de duivel een peinzende intellectueel, een romantische Lucifer met grote vleugels en elegante hoefjes. Uit de twintigste eeuw heeft het museum behalve theaterattributen veel (politieke) spotprenten gekozen. Dat laatste is niet zo'n gelukkige greep. Als de achterliggende politieke gebeurtenis te diep uit de actualiteit is weggezakt, heeft een spotprent te veel aan onmiddellijke verstaanbaarheid ingeboet en is de angel uit het venijn verdwenen.

Nog één keer neemt Satan in de twintigste eeuw revanche. Dat is te zien in de katholieke lees- en leerboekjes. In hun strijd tegen het Kwade werden tot in de jaren zestig katholieke kinderzielen bijgestaan door stichtende uitgaven, bijvoorbeeld het Prentenboek van een Kinderbiecht. In dit werkje, dat diverse drukken beleefde, gaat de aandacht uit naar een goede en een slechte biecht. In het laatste geval meldt de biechteling niet al zijn zonden. Dat verzuim wordt een jongetje noodlottig: een ouderwetse duivel in vol ornaat verwijst hem naar een lustig brandende hel. De beschermengel van het kind staat er wanhopig bij: te laat, te laat. Het is in deze jeugdlectuur dat het duivelse en helse zich voor het laatst manifesteren. Iconografisch is het met de streken van Satan voorgoed afgelopen.