De Holocaust ontkend

Deborah Lipstadt: Denying the Holocaust. The Growing Assault on Truth and Memory 278 blz., The Free Press 1993, ƒ 52,10

In het voorjaar van 1991 verscheen in verschillende universiteitskranten in de Verenigde Staten een advertentie met de titel 'The Holocaust Story: How Much is False? The Case for Open Debate'. Een debat kwam er zeker, maar dat ging vooral over de vraag of de bladen deze advertentie wel hadden mogen plaatsen. Het ontaardde in een vrij warrige discussie, waarin vanzelfsprekend de vrijheid van meningsuiting in het geding werd gebracht, evenals het argument dat plaatsing van een dergelijke advertentie een betere strategie is dan weigering. Door plaatsing kan het openbare debat zijn heilzame werk doen en de instantie achter de advertentie ontmaskeren als een wolf in schaapskleren. Daarom was volgens sommigen het resultaat van de controverse uiteindelijk positief.

Maar Deborah Lipstadt, professor in de joodse geschiedenis aan Amory University in Atlanta en schrijfster van Denying the Holocaust, The Growing Assault on Truth and Memory, is minder tevreden over de afloop van deze affaire. Zij is onthutst over het feit dat de kwaadaardige propaganda van de ontkenners van de Holocaust door menig deelnemer aan de discussie niet als zodanig werd herkend, maar veeleer beschouwd als een 'mening', 'visie' of 'zienswijze'. Dit verschaft de ontkenners ongewild respect. Zij slagen er volgens Lipstadt steeds vaker in te worden gezien als de andere kant van een zaak die geen andere kant heeft. Te veel studenten, schrijft Lipstadt, hebben haar gevraagd: “Hoe weten we dat er werkelijk gaskamers waren?” en “Is het dagboek van Anne Frank wel echt?”

De ontkenners beschouwen zich als erfgenamen van de revisionisten, een groep invloedrijke Amerikaanse historici die in de jaren twintig een afwijkende opvatting hadden over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Duitsland was hier niet alléén verantwoordelijk voor, zo beweerden zij. De revisionistische beweging is als het ware door de ontkenners gekaapt en vervolgens voor eigen doeleinden gebruikt.

In de jaren vijftig deed het fenomeen van de ontkenning van de moord op de joden zijn intrede in de Verenigde Staten. De beweringen van de aanhangers van deze theorie zijn, schrijft Lipstadt, globaal in drie categorieën onder te brengen. Ten eerste zouden de nationaal-socialisten nooit van plan zijn geweest de joden uit te roeien; dit was bovendien technologisch onmogelijk. Verder zouden de joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog omkwamen op gerechtvaardigde gronden zijn vermoord. Ten slotte zouden Israel en joodse leiders en wetenschappers de 'fabel van de Holocaust' om politieke en materiële redenen in leven houden.

Beloning

In 1978 werd in Los Angeles het Institute for Historical Review (IHR) opgericht. Onder auspiciën van het IHR werd in 1979 de eerste Revisionist Convention gehouden. Op deze bijeenkomst loofde de directeur van het instituut een beloning uit van 50.000 dollar voor degene die kon bewijzen dat de nationaal-socialisten gaskamers gebruikten om joden tijdens de Tweede Wereldoorlog uit te roeien. Toen de prijsvraag niet erg goed liep - de media negeerden het instituut aanvankelijk - werd een aantal overlevenden direct aangeschreven. Als zij niet op korte termijn zouden reageren, zou het IHR aan hun weigering via de media ruchtbaarheid geven. Mel Mermelstein nam de uitdaging aan en stuurde het instituut een uitvoerig verslag van zijn ervaringen in Auschwitz. Hij stelde het instituut een proces in het vooruitzicht als dit niet voor een bepaalde datum zou reageren. Toen het IHR in Simon Wiesenthal een betere prooi meende te hebben gevonden en de verklaringen van Mermelstein liet voor wat zij waren, wendde Mermelstein zich tot de rechter. Deze bepaalde dat de vergassing van de joden in Auschwitz geen geschilpunt was, maar een onbetwistbaar feit. Mermelstein kreeg alnog de uitgeloofde 50.000 dollar en daarboven 40.000 dollar smartegeld.

De ontkenners van de Holocaust doen er tegenwoordig alles aan om een respectabele indruk te wekken. Desktop-publishing maakt het ook voor hen mogelijk professioneel ogend drukwerk te produceren. De publikaties worden opgesierd met grafieken en tabellen, noten en literatuurlijsten, wat de wetenschappelijke pretentie vergroot. Lipstadts grootste zorg is dan ook dat slecht geïnformeerde mensen niet in staat zijn dergelijke publikaties op hun waarde te schatten. Bovendien speelt de vaak geuite bewering dat de moord op de joden totaal onbegrijpelijk en onvoorstelbaar is, ongewild de ontkenners in de kaart.

In Nederland, dat in Lipstadts boek alleen in verband met De Dagboeken van Anne Frank wordt genoemd, zal het waarschijnlijk zo'n vaart niet lopen. De realiteit van de moord op de joden is in Nederland zo evident en de herinnering eraan nog zo levend, dat ontkenners hier vooralsnog weinig kans maken. In het algemeen hoeden extreem-rechtse partijen zich hier voor openlijk vertoon van sympathie met het nationaal-socialisme en antisemitische uitingen. In de Verenigde Staten vinden de ontkenners kennelijk wel gehoor. Volgens een recente opiniepeiling blijkt één van de vijf volwassen Amerikanen te twijfelen aan de massale moord op de joden. De leugens van de 'revisionisten' gedijen goed in een academisch klimaat waarin het relativisme de toon aangeeft en begrippen als waarheid en werkelijkheid als achterhaald worden beschouwd.

Lipstadt wijst erop dat de omvang en de intensiteit van de ontkenning van de Holocaust sinds het midden van de jaren zeventig is toegenomen. Niet alleen in Europa en de VS, maar ook in Zuid-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland en Japan wordt tegenwoordig de moord op de joden ontkend. Bovendien duidt de anti-zionistische conferentie die in november 1992 in Zweden zou worden gehouden op ontluikende betrekkingen tussen 'bekende' ontkenners en anti-Israel-krachten in de Arabische wereld. Behalve Robert Faurisson (Frankrijk), David Irving (Engeland) en Fred Leuchter (VS) zou in Zweden ook de zwarte moslim-leider Louis Farrakhan tot de sprekers behoren. Tevens zouden vertegenwoordigers van Pamyat, Hezbollah en Hamas aanwezig zijn. De Zweedse regering gelastte de conferentie overigens op het laatste moment af.

Martelaren

Lipstadt roept mede-wetenschappers op de aanval op de geschiedenis en de waarheid te pareren. Juridische actie heeft naar haar mening het bezwaar dat de ontkenners “martelaren kunnen worden op het altaar van de vrijheid van meningsuiting”. Zij verwacht het meest van zorgvuldige voorlichting; leugens laten zich het beste bestrijden met waarheid.

Zo daagt het revisionisme de wetenschap voortdurend uit. De wetenschappelijke editie van De Dagboeken van Anne Frank zou er niet zijn gekomen als de authenticiteit niet voortdurend was aangevochten. In dit verband spreekt het werk van de Franse apotheker Jean-Claude Pressac wellicht het meest tot de verbeelding. Onder de indruk geraakt van de zijn landgenoot Faurisson, toog hij in 1979 naar Auschwitz om de ontkenning wetenschappelijk te onderbouwen. Ter plaatse viel hij echter van zijn geloof. Hij schreef vervolgens Auschwitz: Technique and Operation of the Gas Chambers (1989) en ongeveer tegelijk met Lipstadts boek verscheen van zijn hand Les Crématoires d'Auschwitz - La machinerie du meurtre de masse. Met zijn laatste boek weerlegt Pressac, overigens niet als eerste, de bewering dat de vernietiging van zovelen technisch onmogelijk was.

Maar wie leest de wetenschappelijke editie van Anne Franks dagboek of de boeken van Pressac? De voorlichting van het grote publiek zal eerder langs andere kanalen moeten geschieden. Steven Spielberg heeft dat goed begrepen.