De groepsknel

Dat mensen trots zijn op hun afkomst siert ze, maar zich voor hun afkomst schamen mogen ze niet, want dat gevoel hoort er niet bij te horen. Vooral mensen uit een minderheid, en een bedreigde minderheid helemaal, moeten fier zijn op hun voorouders en zelfs op hun nog levende, verre verwanten. Van een mogelijke gêne mogen ze niets laten merken. Dat is een probleem, want ze worden op het gedrag van hun heel verre familie toch aangekeken, in eigen kring en ook door buitenstaanders. Maar de saamhorigheid gebiedt hen om hun ergernis en schaamte over eigen mensen naar buiten niet te laten blijken.

Toen indertijd Molukse jongeren een forensentrein en een kleuterklas onder doodsdreiging gijzelden en ook nog eens in volmaakte willekeur twee medeburgers vermoordden sloeg een ijzig stille woede door het land. Men wilde, en terecht, de Molukkers niet over één kam scheren en niet de één aanspreken op wat anderen hadden aangericht. De Molukkers zelf hielden hun rijen vast gesloten. De leiders van de Molukse gemeenschap stamelden lamlendig dat de jongelui verkeerd gehandeld hadden voor de goede zaak en lieten het daarbij. Ik kan me niet één Molukse tegenspreker herinneren, niet één dissident die met de hele zogenaamde goede zaak en met alle kwade zaken eromheen openlijk en voorgoed afrekende. Toch weet ik zeker dat er ook toen al Molukkers waren die dat streven naar een eigen staat met alle dweperij en dwaasheid van dien volstrekt verwierpen. Maar zij zwegen.

Daar is niets bijzonders Moluks aan, al dacht men toen van wel, dat is integendeel een algemene trek: dat is de repressieve solidariteit. Juist in benarde tijden mag de enkeling zijn groepsgenoten niet afvallen. In minder benarde tijden is er geen aanleiding voor. Die eenling mag dat al helemaal niet, omdat zij de schijn zou kunnen wekken dat ze probeert bij buitenstaanders, bij de dominante meerderheid dus, in het gevlei te komen: 'Ik hoor niet bij ze; wijs hun af, maar neem mij op.' Het is kennelijk erin of eruit. Dan wordt wie afstand neemt van de eigen groep meteen aangezien voor een overloper. Zó schandelijk wordt zulk gedrag gevonden dat dáár pas ware moed voor nodig is. En zo moedig was toen niemand in Molukse kring.

Die repressieve solidariteit komt niet alleen door minderheidsdruk van binnenuit maar ook door meerderheidsdrang van buitenaf: de meerderheid maakt haar minderheid ernaar. De Molukkers werden eerst in Indië geronseld, toen naar Nederland ontvoerd, vervolgens keer op keer bedrogen en voortaan in een verdomhoek ingekwartierd. Dat kwam hun leiders niet slecht uit en de achterban liet zich ook zo kazerneren. Daarmee was het isolement vrijwel volkomen. De Molukkers hadden hun redenen om één lijn te trekken en het wordt dan haast onmogelijk om buiten een gemeenschap te treden die zoveel invoelbare grieven koestert tegen haar omgeving. Dat groot gevoelsgelijk werkt verlammend en ontneemt mensen de durf om voor hun mening uit te komen. Maar wat ze niet merken is dat ze daarmee binnen het reservaat blijven dat voor hun onderafdeling is ingeruimd door meerder- en door minderheid gezamenlijk.

Nu ik me op kosten van de Molukkers wat morele ruimte heb verschaft stap ik over op de joden. De afgelopen weken was ik vast van plan mijn lidmaatschap in het jodendom voorgoed op te zeggen, maar veel indruk zou dat niet maken omdat ik het na mijn vorige opzeggingen ben vergeten te vernieuwen. En zelfs dat maakt niets uit, want lid blijf je voor het leven. Daar wordt door anderen over beslist, door de anderen.

De aanleiding van mijn woede was het bloedbad aangericht door een godlasterlijke joodse terrorist, maar de reden was de bijval die zijn wandaad kreeg. Er is daar op de Westoever een bezettende klasse ontstaan, onderhouden met buitenlands geld, gevestigd op onteigend land, door bendeleiders bewapend, door het leger boven de wet gesteld en door zichzelf boven hun medemensen. Dat maakt het laagste in de mensen los en trekt het slechtst allooi aan.

Ik schaamde me. Maar ik was nog liever kwaad.

Door premier Rabin werd het massacre ten felste veroordeeld: “Jullie zijn een implantaat van vreemde herkomst. Jullie maken geen deel uit van de gemeenschap van Israel” (toch sprak hij kennelijk niet over de terroristen maar tot hen, en hij vond precies de juiste woorden). In het Nieuw Israelistisch Weekblad werd de terreurdaad volstrekt afgewezen en tierde heftig verschil van mening onder commentatoren en briefschrijvers over de kolonistenkwestie. Maar ook dat is nog binnenshuis, in eigen kring. Daarbuiten zijn ook de joden niet vrij van repressieve solidariteit. Het valt hun veel makkelijker om samen verontwaardigd te zijn over de vrijlating van een oorlogsmisdadiger, over een mogelijkerwijs anti-semitisch toneelstuk, over een enkele grievende zin van een columnist, dan luidop hun weerzin te laten blijken tegen wandaden die in eigen gelederen zijn aangericht.

Maar als je zo beschaamd bent over de slachting in Hebron, waarom wind je je dan niet evenzeer op over de moordpartijen door Palestijnse fanatici? Wie dat nog niet begrepen heeft moet van de aanhef aan opnieuw gaan lezen. Die schaamte is immers de keerzijde van de trots: de achter- en de voorkant van de groepsverbondenheid.

De repressieve solidariteit, die groepsgewijze zelfcensuur, legt hele volksstammen het zwijgen op, buitenshuis tenminste. Geen buitenstaander weet hoe in Turkse koffiehuizen of in Antilliaanse huiskamers wordt geruzied en waarover Marokkanen kiften, of Surinamers bekvechten. Al dat meningsverschil blijft de buitenwereld onthouden: om het eigen nest niet te bevuilen en de tegenstander vooral niet in de kaart te spelen.

Dat grote zwijgen leidt tot stomheid. Maar het begint al te veranderen. In al die minderheden proberen jongeren zich te ontworstelen aan de groepsknel. In ieder afzonderlijk geval lijkt het enkel een particuliere kwestie: ruzie met de ouders, geloofsafval of gewoon vrijheidsdrang. Die individuele conflicten moeten hun algemeenheid en openbaarheid nog vinden. Daar zijn schrijvers voor en politici. Die nieuwe lichting dient zich nu al aan.