De dignitaris

Het was niet geheel duidelijk wie er gekroond ging worden, de koning of de koningin. Wel was duidelijk dat ik een vooraanstaande rol speelde. Om te beginnen had ik een nogal zware pruik op, van donkerblond halflang haar, dat mij tot op de schouders viel. Op de pruik was een zwarte, ronde en vrij lage hoed gemonteerd, met spelden.

Mijn jas, haast een tuniek, mocht er ook wezen: rood brokaat, in grote vierkanten met gouddraad doorgestikt, zodat de wijde mouwen door de zwaarte als gesteven bleven staan boven de laag vallende panden. Daaronder een gouden broek, bezet met kraaltjes, enigszins gelijkend op de broek van de Witte Clown, die met de pailletten, de ronde dop en het witte gezicht. En net als de zijne viel mijn broek kort - een lengte die me normaal niet bevalt, zo halverwege het scheenbeen - maar ik had er schoenen van mezelf bij aan: halfhoge van een oranje/bruine suede, met veters tot bovenaan, om van die haakjes. (persoonlijk bezit ik dergelijke schoenen niet).

Ik bewoog me met gemak in deze functie en het kostuum en waar we buiten de middeleeuwen zouden verwachten was het toch deze tijd, zij het een jaar of twintig terug. Hoewel ik al in de kerk op mijn plaats zat, de Westminster Abbey uiteraard, begaf ik me toch weer langs de rijen naar buiten op zoek naar een bevriend echtpaar uit de Trompenburgstraat, dat nog niet was aangekomen en zich nu in hun nette kleren ongetwijfeld in de oprukkende menigte bevond. Ik wilde hen een betere plaats verschaffen, die ik vanwege mijn hoge ambt onmiddellijk kon opeisen.

Je zag buiten veel grijs: hoge hoeden, jacquets, vesten en de vrouwen in stemmige maar vrolijke mantelpakken. Ik liep zo ver dat ik de weg kwijtraakte en telkens dacht: het is vast begonnen en ik zit niet op mijn plaats....

Gelukkig zag ik nogal wat bekenden, waaronder ERK, zodat ik een beetje kon patsen met mijn uiterlijk. Ik moet toegeven dat er ook wel wat besmuikt gelachen werd, vooral als de pruik wat scheef gleed.

Nu werd ik toch echt zenuwachtig. De tijd dringt en ik ben de weg kwijt. Waar is Westminster Abbey en hoe ziet die er toch weer uit?

Tot overmaat van ramp moest ik nog een rechtszitting bijwonen. Ik speelde er een belangrijke rol, als een soort minnelijke schikker, die de twee partijen tot elkaar brengt, door eenvoudigweg de zeven stoelen die op een soort toneel stonden, eerst twee, en dan tweemaal drie, naast elkaar te schuiven zodat men precies kon zien welke breedte ze innamen. Dit was een fantastische oplossing vond iedereen. Terwijl ik nog enige uitleg gaf viel mijn pruik weer scheef. Dit had enige hilariteit tot gevolg, maar glimlachend zette ik de boel recht. Iemand vroeg waarom het haar zo lang was en van die kleur. “Engelse pruiken zijn toch kort en wit?” Ik verklaarde de kleur maar geloofde er zelf niet echt in.

Net terwijl ik me weer zorgen begin te maken op straat, gaat er iemand naar de WC en word ik wakker.

Ik draai me om en besluit door te dromen op dit stramien, want het bevalt me wel daar en ik wil weten hoe het afloopt.

Al snel onttrek ik me aan de rechtszaal en ik loop weer op straat. Net als ik de moed opgeef en aan een nieuwe droom begin staat verderop, op een kade, plotseling Westminster Abbey. Het ziet er helemaal niet uit als men zou denken. Het is een donker gebouw of eigenlijk een half gebouw want het staat aangeleund tegen een ander groot kantoorachtig Fleet Street of Abermarly Street-kantoor. De Abbey is donkergrijs, metaalkleurig en heeft een gapende ovale ingang, haast ontworpen door Fouquet of Mucha. De stroom mensen erheen is onveranderd keurig en ik kom op het laatste moment binnen.

Vervolgens sta ik meteen weer op straat want ik moet een groot aantal geleende fietsen die achter een auto aanhangen in een lange sliert op de boot naar Dover zetten. Ze zijn al door iemand anders meegenomen.

Ik arriveer buiten adem (met de trein) in Calais en onderzoek daar de rupsachtige bovengrondse tunnels die naar de boten voeren. Ik klim langs de auto's - mijn gewaad waarborgt me een vrije doorgang (voor zulk een hooggeplaatste) en ik merk dat de auto's en de fietsen niet aanwezig zijn. In een brainwave denk ik: de andere boot! En ik vraag de ladinglijst op in het kantoor. Inderdaad daar staan ze op: auto plus fietsen, naam H.A. van Lennep (zo heet mijn zoon, alla). Kunnen we daar nu naartoe? Een vijftal mannen knikt. Jazeker dat kan. Het hele kantoor blijkt op de rails te staan en we vertrekken richting andere haven. We zitten voorin de trein en de kantoorruit is de voorruit. De mannen laten me een beetje links liggen en vermaken zich met mijn opmerkingen en mijn uiterlijk. Als ik vraag hoe laat het is, wijzen ze lachend op de klok. “Zijn we nog op tijd?” vraag ik weer. Veel hilariteit. “Is 12 minuten genoeg?” Ik weet het niet. Het is 19.12 uur en ik weet niet hoe laat de boot vertrekt. Ze blijven lachen en me in de maling nemen. De mannen praten in hele zinnen van vijf, zes woorden, als korte salvo's. Ze blijven me jennen. Dan word ik gelukkig wakker. Ik mag opstaan. Er is niemand op straat.