BEROEPSHERINNERAAR

Vorige week zaterdag werd een nieuw woord geboren: 'herinneraar'. Een woord om te knuffelen, bloedmooi en lekker onvertaalbaar. Toen ik het zag staan in een artikel van Elsbeth Locher-Scholten, in de boekenbijlage van deze krant, voelde ik een intense jaloezie en hebzucht opkomen. Ik wilde het woordje hebben, adopteren, groot brengen en dan pas de wereld in sturen, de wereld van de literatuur, van cryptogrammen en woordenboeken.

Niet dat ik de huidige moeder onbekwaam acht, hoewel ik wel ongerust werd van de achteloosheid waarmee ze het woord liet vallen en het niet meer opraapte om er nog eens goed naar te kijken, zoals je de enkeltjes van een baby bestudeert, en de teentjes telt, telkens opnieuw.

Ze gebruikte het woord in een lange bespreking van Van Doorns boek over de laatste fase van het kolonialisme. J.A.A. van Doorn, zegt ze, is een 'beroepsherinneraar'. Van Doorn scherpt de koloniale herinnering, hij maakt de verwerking van het koloniaal trauma mogelijk, hij laat ons de koloniale ervaring herbeleven en maakt daardoor de integratie van die ervaring in ons levensverhaal mogelijk.

Dat is een compliment als de Taj Mahal en misschien volkomen terecht, maar ik dacht even dat we in Van Doorn onze eigen Nederlandse Proust hadden gevonden. Zo blijkt de schrijfster het niet te bedoelen. Van Doorn heeft een inzichtelijk boek geschreven, blijkt uit haar recensie, een keurig, goed gedocumenteerd, nuchter, afstandelijk en degelijk werk. Het boek geeft ons in de eerste plaats een enorme hoeveelheid kennis over de relatie tussen Nederland en Indië, het ontmaskert mythen en misverstanden, het zet de feiten op een rij, plaatst ze in een nieuw verband en presenteert dat geheel in een toegankelijke, leesbare vorm 'voor een breed publiek'.

Maar is Van Doorn daarom een 'beroepsherinneraar'? Elsbeth Locher-Scholten schijnt het accent te willen leggen op het voorvoegsel 'beroeps'. Van Doorn is een vakman, hij doet zijn werk met zo'n vaardigheid dat hij kennelijk uitsteekt boven de grote groep amateurherinneraars. Wie dat zijn vertelt de schrijfster niet: slechte onderzoekers, vluchtige journalisten, navelstarende ex-kolonialen?

Zelfs als Van Doorn net iets vakkundiger is dan al die anderen, is het nog niet duidelijk waarom hij een 'herinneraar' is. Is hij op zijn bed gaan liggen, met de blik gericht op het plafond, op die kleine watervlek in de hoek, om ver weggezakte herinneringen op te halen en die met een diepe, zuchtende stem wereldkundig te maken? Is hij naar Indonesië afgereisd om een weg te bewandelen die hij vele jaren geleden ook al had afgelegd, om zo zijn persoonlijke beelden te confronteren met de traag veranderende tropische werkelijkheid? Heeft hij op een avond gamelan-muziek opgezet en zich met pen en papier voor de open haard genesteld, om in één ruk al zijn memoires op te schrijven: 'Zoals het echt is gebeurd en niet anders'?

Neen, Van Doorn heeft gewoon goed onderzoek gedaan, hij is in archieven gedoken, hij heeft cijfers vergaard, een stelling bedacht en op grond van een zee van empirisch materiaal een origineel boek geschreven. Maar voor zo iemand bestond al een woord: historicus. Geschiedschrijver.

Voor alle duidelijkheid: ik heb geen mening over de kwaliteit van Van Doorns werk en ik geloof Elsbeth Locher-Scholten graag als ze zegt dat het hier om een buitengewoon belangrijk boek gaat. Ik wil alleen proberen het woord 'beroepsherinneraar' te redden, omdat ik vind dat zij het zomaar laat liggen, in de kou, terwijl het nog zoveel koestering nodig heeft.

Beroepsherinneraar dus. Is Freud een beroepsherinneraar? Eigenlijk niet. Hij heeft de werking van het geheugen uiteengezet, hij heeft een schitterende metafoor gevonden waarmee we onze verdringingen kunnen begrijpen en hij heeft dus de techniek onthuld van het tegenovergestelde: het vergeten.

Is Proust een beroepsherinneraar? Hij is zeker een herinneraar, die op geniale wijze de kunst van het zich sprongsgewijs herinneren heeft laten zien. Hij is een omgekeerde Houdini die via vrije, toevallige associaties terecht komt in steeds dwingendere herbelevingen, totdat hij zo verstrikt raakt in zijn wereld van vergane gedachten, dat hij zich er niet meer uit kan bevrijden. Proust is een herinneringskunstenaar, maar daarom nog geen 'beroepsherinneraar'.

Is Naipaul dan een beroepsherinneraar? Niemand heeft vanuit een ver en vreemd land zo warm, zo gevoelig en zo indringend kunnen schrijven over de herinneringen aan het land van zijn afkomst en zijn jeugd als Naipaul deed in zijn eerste Caribische boeken, waaronder het hoogtepunt: A house for mr. Biswas. Hij zou daardoor heel erg dicht in de buurt van een beroepsherinneraar zijn gekomen, als er niet al een naam voor hem bestond: romancier.

Er zijn weinig grote romans die niet zijn voortgekomen uit herinneringen, al was het maar omdat we alleen datgene met zoveel nauwkeurigheid kunnen beschrijven wat we zelf hebben beleefd. Hoe krachtig je verbeelding ook is, je kunt niet weten hoe hoog het riet staat in september. Romanschrijvers moeten daarom ook altijd op onderzoek uit, om het platte verhaal de diepgang te geven van een driedemensionaal universum. Maar daarom zijn het herinneraars en geen beroepsherinneraars: het is hùn universum, waarvan zij de goden zijn en waarin ze de vrijheid hebben om alle mogelijke ervaringen dooreen te kneden, of het hun eigen, persoonlijke ervaringen zijn of niet. Schrijvers lenen en vervormen herinneringen. Ze zijn dus goede herinneraars, maar per definitie onbetrouwbaar. Het herinneren is voor hen slechts middel, geen doel.

De ware beroepsherinneraar, zoals ik het mij voorstel, blijft binnen het alledaagse, voor iedereen toegankelijke, onverzonnen universum. Hij doet alleen een paar stappen terug. De toevoeging 'beroeps' is dus belangrijk, bijna in de zin waarop Elsbeth Locher-Scholten het bedoelt: het is een ambacht, een ernstig vak waar niet al te veel speelsheid bij komt kijken. Een timmerman mag weleens een leuk krulletje geven aan de boekenkast, maar uiteindelijk moeten er boeken in kunnen en dat is de praktische beperking aan alle frivoliteit. Een beroepsherinneraar moet dus streven naar 'betrouwbare' herinneringen.

Betrouwbaar betekent hier niet: zoveel mogelijk in overeenstemming met 'de' werkelijkheid, want dat hoort bij een ander vak: dat van de geschiedschrijvers. De geschiedschrijver wil zo precies mogelijk aangeven hoe de werkelijkheid vroeger was. De beroepsherinneraar wil aangeven hoe de werkelijkheid vroeger 'voelde'. Hoe zij leek, hoe ze overkwam, hoe ze beleefd en ervaren werd, door meerdere mensen. Anderen uit dezelfde tijd en dezelfde omgeving moeten zich dus moeiteloos in de herinneringen van de beroepsherinneraar kunnen herkennen. Een beroepsherinneraar brengt het collectieve geheugen van eenvoudige, gewone en onbelangrijke mensen tot nieuw leven, opdat die mensen niet vergeten worden. Opdat ze niet uit de geschiedenis worden gestoten. Hij verricht geen onderzoek in duistere archieven en hij ligt niet op bed zijn gedachten te verzamelen, hij doet allebei een beetje. Maar het belangrijkste is dat hij praat met die zwakke, machteloze wezens, die hij lief heeft en om wie hij kan lachen. Hij buigt hier en daar iets om: een oninteressant gegeven laat hij weg, een vertederend detail blaast hij ietsje op. Hij speelt, herschrijft, maar lang niet zo frivool als de romancier, want anders verliest hij het vertrouwen van de mensen over wie hij schrijft - dat vertrouwen is zijn beperking. Een beroepsherinneraar prikkelt de verbeelding van de romanschrijver en trekt de aandacht van de geschiedschrijver. Als die zijn werk overnemen en voortzetten, is zijn doel bereikt.

    • Anil Ramdas