België treurt om het 'Saigon' van Rwanda

BRUSSEL, 16 APRIL. “Onze mannen zijn gemassacreerd, mevrouw. Ze zijn zich ginder laten afslachten zonder ook maar iets te mogen terugdoen. En waarom? Voor die kolonialen met hun dikke nekken die er nog steeds geen genoeg van hebben. Voor die mannekes van de hulpverlening die daar in hun villa's op PC-tjes zitten te tokkelen. Laat ze hun eigen plan toch trekken!”

Stevig omklemt Lucien Lanckman (60) de rood-geel-zwarte vlag van de club oudgediende parachutisten van Aalst. Zo meteen zal op een ceremoniële bijeenkomst de laatste eer worden bewezen aan de tien Belgische VN-soldaten die vorige week in Rwanda werden vermoord.

Langs de weg een paar honderd mensen, van wie de meeste ex-para's. “Weet u”, zegt Lanckman, “het ergste is dat de Belgen van die hele geschiedenis met Afrika niets hebben geleerd. Zeg nu zelf. Is er met alle hulp en het zogenaamde verantwoordelijkheidsgevoel voor Rwanda in tachtig jaar iets veranderd? Neen. Die zwarten kunnen nog steeds niet lezen of schrijven. En ze lopen nog steeds met de malaria in het lijf.”

Oh, hij heeft het allemaal eerder gezien. Hij weet nog goed hoe hij in 1959 als dienstplichtige naar de Kongo moest. “Wat komt gij hier doen”, vroegen die kolonialen op hun plantages. Maar toen ze een jaar later met de onafhankelijkheid dreigden buiten te vliegen, toen waren het wel de para's die hun leven moesten offeren om 'messieurs les terriers' te beschermen. “Larie”, zegt Lanckman over het 'speciale gevoel' dat België met Centraal Afrika zou verbinden. “Dat gevoel zit hier”, zegt hij en wijst op de binnenzak van zijn blazer. “Omdat ze die ginder kunnen vullen zonder te werken. Al wat ge daar kunt doen is uw leven laten voor onnozelaars.”

Belgie is in een shocktoestand. De kranten spreken over 'de Apocalyps van Afrika', en ook over 'het Saigon van de Belgen'. “Waar hebben we dit aan verdiend?”, vraagt de mevrouw in de metro op weg naar haar werk. “Wat is er verkeerd gegaan?” Donderdag was een dag van nationale rouw. Langs de brede boulevards, maar ook boven de kasseien in de roetige volkswijken hing de Belgische vlag halfstok. Soms niet meer dan een lapje. Maar het verdriet van Rwanda beheerst de gedachten. “We krijgen de rekening van het verleden gepresenteerd”, zegt een ambtenaar terwijl hij zich aan de stang van de metro vastklemt. “Nee”, meent zijn buurman. “Het is de geest van de wildemannen die is losgebroken.”

Verwarring. Woede. Meer vragen dan antwoorden. En zo er al antwoorden zijn, verschillen die tussen Vlamingen en Walen. “Er zal altijd een aanwezigheid van de Belgen in Afrika moeten zijn”, zegt de Waalse oud-strijder Guy Widwarth (57). Ook hij heeft in de Kongo gevochten. En later in Rwanda. “Un paradis”, is zijn oordeel. “We moeten onze belangen daar veilig stellen, anders lopen de anderen ermee weg. C'est l'histoire.”

Niet tegen de 'kolonialen', maar tegen de 'misdadigers van de Verenigde Naties' richt zich zijn woede. “Ze weten niet wat oorlog is. Ze zitten daar in hun New-Yorkse kantoren en laten onze jongens vermoorden, zonder hen ook maar enige kans te geven zich te verdedigen.” Spugen doet hij erop. Al die blauwhelmen. Sinds een week is voor hem de nachtmerrie terug van die vriend die hij in 1961 heeft verloren. Op dezelfde manier als deze jongens. Eerst een hand, toen een voet, een been. Langzaam was zijn lichaam weggekapt. “Dégueulasse”, fluistert hij met zijn hand strak aan zijn groene baret als een lijkwagen voorbij is getrokken. “We moeten terug om de moordenaars terecht te stellen. Maar dit keer met onze eigen Belgische helmen, en een vol mandaat om te schieten.”

Die middag is er opnieuw een vliegtuig geland met mensen die uit Rwanda zijn geëvacueerd. Een kale ruimte met formica tafels. Hier wacht de familie op hun komst. Door een knetterende luidspreker worden de laatste instructies gegeven: “Ze zullen 's nachts wakker worden. Ze zullen geïrriteerd zijn. En velen zullen vluchten in alcohol en drugs”, luidt het opmonterende beeld dat de legerpsychologe van hen schetst. Onbewogen roert madame Lucie Couvreur (72) in haar koffie. “Dat zal toch wel meevallen”, glimlacht ze onder haar zorgvuldig opgemaakte gezicht. “Mijn zoon is geen zottekop.” Mevrouw Couvreur is een veteraan. 'Geboren en getogen in de bush van Afrika', zoals ze zelf zegt. Alles heeft ze al meegemaakt. Haar overleden echtgenoot was ingenieur in de Kongo, en sinds het 'verlies' van dat land is haar zoon in Rwanda in zijn voetspoor getreden. “We zijn met die mensen verbonden he”, legt ze uit. “Ze zijn zo aanhankelijk, en altijd vrolijk. Ook als ze problemen hebben.” Nee, “echt dom” vindt ze het dat ze elkaar daar nu zijn gaan afmaken. En dan die plotselinge haat tegen de Belgen. Onbegrijpelijk is dat voor haar. “De meesten hielden van de Belgen”, zegt ze. “Ze leefden van wat wij hen gaven.”

Langzaam komen tegen één uur de vluchtelingen de zaal binnenlopen. Nonnen, paters, mannen en vrouwen. De meesten met niet meer dan een tas of een rugzak. Door de luidspreker worden commando's geblaft: stempels zetten, formulieren invullen. De omarmingen gebeuren bijna in stilte. “Goed zo”, zegt madame Couvreur tevreden. “Alles gebeurt in waardigheid.” Toch moet ook zij even pinken als ze later haar zoon in de armen sluit.

Nog lange tijd wordt er in de zaal gezeten. Grote ogen in gebruinde gezichten. Hier en daar komen de verhalen. Over de lijken, de systematische mensenjacht, het orgie van geweld waarin de meesten hebben gezeten. Een non vertelt over de psychiatrische inrichting waar ze zich samen met tweehonderd patiënten en meer dan zeshonderd vluchtelingen had gebarricadeerd. Met mortieren, kogels en met hakmessen zijn ze zes dagen lang belaagd. “Nu zullen ze sterven. Allemaal sterven”, herhaalt de non steeds opnieuw, terwijl achter haar de hoge stem klinkt van een man die vertelt hoe hij de aanval op zijn villa heeft weerstaan. “Ik heb mijn geweer op ze schoongemaakt”, roept hij met rode ogen. “Beesten zijn het. Nee, erger dan beesten. De Rwandees is nog lager dan een geit. Schrijft u dat maar rustig op. Geiten kun je tenminste nog eten. Maar de Afrikaan kan alleen zijn hand ophouden.” Ondanks zijn 'kennis van de Afrikaan' kan ook deze geëxalteerde man geen verklaring vinden voor de plotselinge 'geviseerdheid' op de Belgen, zoals de media het noemen.

“We worden geconfronteerd met ultieme vragen”, zegt Jan Lensen. Hij is van de orde der witte paters die decennia lang een monopolie op het missiewerk in dat deel van Afrika had. Lensen spreekt ook over de verantwoording van de Belgen die altijd geleund hebben op de structuur van de Tutsi-aristocratie, maar ook hij heeft geen antwoord. “Opeens was daar die hetze. Ze zeiden dat het de Belgen waren die het vliegtuig van de president hadden neergeknald. Men zou denken dat de hetze was voorbereid.” Uitgeput zit hij aan tafel. “Ik denk niet dat ik nog terug zal gaan.”

Schoolklassen zwermen tussen de olifanten, de insecten en de opgezette vlinders van Afrika. Groot en statig ligt het 'Koninklijk Museum voor Midden-Afrika' van de Brusselse voorstad Tervuren. In zaal acht is het rustig. In de vitrines de geweren, de kruisen en de uniformen van de Belgische 'baanbrekers bij de bezetting van Afrika'.

Ik moet terugdenken aan aan de dronken woede van Innocent die nacht. 'Afrique-Europe' heette het café in de zwarte wijk van Brussel waar tientallen Rwandezen waren samengekomen. Lallend en kotsend had Innocent in een hoek gezeten. Hij had gepraat over de Belgen die met hun verdeel- en heerspolitiek de slachting in zijn land zouden hebben veroorzaakt. “Zij hebben de Hutu's en de Tutsi's tegen elkaar uitgespeeld”, had hij geroepen. Maar even later waren diezelfde Belgen “de enigen die mijn land begrijpen”. Hij sprak over het door Tutsi's gedomineerde Patriottisch Front dat nu aan de poorten van Kigali staat. “De Belgen hebben het verpest. En ze hebben gelijk dat ze hem smeren. Nu moeten wij het doen.” Toen was hij van zijn stoel gegleden. Zijn vrienden hadden hem zachtjes opgeraapt. “Hij heeft vanavond gehoord dat zijn broer in Kigali door de Hutu's is vermoord”, fluisterden ze.

De zon staat al laag boven het museum als de mevrouw van de informatiebalie haar kastjes afsluit. Even blijft ze staan en kijkt de zaal in met bronzen beelden waar ze al vijfendertig jaar naar kijkt. Links de metershoge 'krijger'; een woeste Neandertaler met een bijl. Rechts de 'slaaf', zielig en bibberend met zijn handen voor zijn geslacht geslagen. “Ik kan die dinges niet meer aanzien”, zegt de vrouw. “Het is of ge ginder tussen die mensen zit.” Langzaam beginnen de tranen te druppen. Het is zo'n nare tijd, zegt ze. Al die mensen die daar worden afgeslacht. En onze jongens die vermoord zijn. Elke dag krijgt ze mensen die protesteren tegen de tentoonstelling 'hulde aan zwart Afrika' die volgende week gaat beginnen. Stilletjes is ze op haar stoel gaan zitten. “Ik denk maar dat ik wegga uit het koloniaal museum”, zegt ze en laat de sleutels in haar jasje glijden.

    • Marjon van Royen