Algemeen kiesrecht

In het hoofdartikel 'Nog een maand' (NRC Handelsblad, 2 april) is geschreven: “en zo koerst Nederland gestaag aan op de grootste stembusrevolutie sinds in 1917 het algemeen kiesrecht werd ingevoerd”.

Hoezo algemeen kiesrecht? Algemeen mannenkiesrecht zal zijn bedoeld, want de andere helft van de bevolking, vrouwen, kregen in 1917 slechts het passief kiesrecht en pas in 1919 ook het actief kiesrecht. In 1919 en niet in 1917 was sprake van werkelijk algemeen kiesrecht. En dit slechts na een hardnekkige strijd van 25 jaar gevoerd door de daartoe in 1894 opgerichte Vereniging voor Vrouwenkiesrecht, thans de Vereniging voor Vrouwenbelangen, Vrouwenarbeid en Gelijk Staatsburgerschap.

Vrouwen waren niet formeel van het kiesrecht uitgesloten. De grondwet van 1848 sprak immers over Nederlands ingezetenen. Volgens de kieswet echter waren de stemlokalen alleen toegankelijk voor mannelijke belastingbetalers. In 1883 had Aletta Jacobs deze tegenstrijdigheid aan de kaak gesteld door de Amsterdamse gemeenteraad te verzoeken haar op de kieslijst te plaatsen. Dit werd geweigerd. Zij ging tot aan de Hoge Raad in beroep.

Tevergeefs. Het negatieve gevolg was wel dat in 1887 het woordje 'mannelijke' aan het desbetreffende artikel in de grondwet werd toegevoegd. Een van de argumenten die werd gebruikt was: “Het zou niet de roeping zijn van vrouwen om deel te nemen aan het openbaar bestuur; het zou haar innerlijk leven krenken, haar gratie bezoedelen en haar eer en heerlijkheid schaden.”

    • W. Stigter-Gonggryp
    • Lid van Vrouwenbelangen