Wie zag er ooit een roze lettergreep? Fernando Del Paso's ode aan de overdaad

Fernando del Paso, Palinurus van Mexico. Twee delen. Vert. Ton Ceelen en Margriet Muris. Uitg. Ambo/Novib/NCOS, 341 en 339 blz. Prijs fl.35,- per deel.

Kun je een boek dat je tijdens het lezen meermalen met enige irritatie terzijde legt toch een goed boek vinden? Ja, dat kan. Kan het zelfs een meesterlijk boek zijn, dat je uiteindelijk met de grootste bewondering vervult? Zelfs dat kan. Er zijn vast wel meer voorbeelden te noemen in de wereldliteratuur die deze schijnbare polen van waardering oproepen (Nabokovs Ada is het voorbeeld dat mij het eerst te binnen schiet), maar de Mexicaanse schrijver Fernando del Paso leverde met zijn uit 1977 daterende (tweede) roman Palinurus van Mexico een werk af dat wel geschreven lijkt met de intentie de lezer tot een dergelijke tegenstrijdig schijnende reactie te tarten. Het valt moeilijk de woorden te kiezen voor een boek dat een ode aan de overdaad is, een ode aan de overdadige taal en aan de overdadige taal van de overdadige eruditie. Het is een boek dat bedoeld lijkt om de lezer te bedwelmen met woorden en tegelijk te overrompelen met kennis, dat alle mogelijkheden van de taal wenst te onderzoeken en daartoe geen genre ongebruikt laat; waarin de vrijheid van het associeren geen enkele maar dan ook geen enkele hindernis in de weg wordt gelegd.

Zoals elke poging aan te geven waar het boek over gaat bij voorbaat gedoemd lijkt, zo is het ook ondoenlijk Palinurus van Mexico te categoriseren; het is zowel een familieroman als een schelmenroman, maar daarnaast is het ook heel nadrukkelijk geen van beide; het heeft zowel de kenmerken van surrealisme als van de commedia dell'arte; daarnaast is het boek bijna even vaak kinderachtig-puberaal als briljant en weet de lezer soms werkelijk niet meer of hij 'genoeg!' moet verzuchten bij zoveel virtuoos vertoon, of van bewondering een denkbeeldige pet af moet nemen. Pas als hij de verwachting heeft opgegeven een 'verhaal' te gaan lezen kan die lezer zich openstellen voor alles wat dit boek wel is; als hij aanvaardt dat Del Paso woorden niet hanteert om naar een werkelijkheid te verwijzen maar om ze te exploreren, te laten fonkelen, ze uit de bocht te laten vliegen, te laten knetteren als de mais in een popcornpan, dan is de weg vrij voor de erkenning dat dit alles wel op heel magistrale wijze gebeurt.

In de meest traditionele gedeelten zien we Palinurus als onderdeel van een goed-burgerlijke familie met Europese wortels; het is een familie met hilarische trekken, maar ook van mannen met aanzien als oom Esteban en opa Francisco en een vrouw als Tante Luisa die maar niet over het verdriet om de dood van haar Franse echtgenoot Jean Paul heen kan komen, en heel haar leven inricht volgens 'Franse tijd'.

Behalve deze familie-achtergrond zijn de andere constanten in het boek het nichtje Estefania, met wie Palinurus alle fysieke mogelijkheden van de liefde uitprobeert, en zijn mede-studenten in de medische wetenschap met wie hij grollen en studentengrappen uithaalt; de gruwelijkste experimenten met lijken, scheten-competities en een expeditie die de Priapiade wordt genoemd. Het is van een soms vermoeiende studentikoosheid, en daar neigen de gesprekken vaak ook toe, maar even zo vaak is het daar dat de verbeelding een vlucht neemt die alleen maar briljant te noemen is. Als in hoofdstuk 11 bijvoorbeeld, waar Palinurus een rondreis a la Calvino maakt langs de Reclamebureaus en andere Denkbeeldige Eilanden. Of in het hoofdstuk ervoor, waar de erudiete neef Walter de mogelijkheden en beperkingen van het benoemen met woorden onderzoekt ('wie heeft er ooit een kogelrond woord gezien?, wie heeft er wel eens een roze lettergreep gezien?, wie heeft een volzin over straat zien rennen terwijl hij schreeuwde als een idioot?')

Onuitstaanbare brief

Wie is die hoofdpersoon nu eigenlijk? De naam Palinurus is die van de Trojaanse stuurman uit Vergilius' Aeneas, die op een kritiek moment de slaap niet kan weerstaan en overboord gaat. Het is ook de naam die Cyril Connolly aannam toen hij zijn oorlogsboek The Unquiet Grave schreef, een boek waaraan een keer expliciet wordt gerefereerd door Del Paso - in de vaak onuitstaanbare brief uit Londen van neef Walter die het 22ste hoofdstuk vormt. Soms is Palinurus de ik-figuur in het boek, soms diens beste vriend die zich in vijfenveertig verschijningen aan hem voordoet ('ik dacht dat ik aan persoonsverdubbeling leed. We zijn volkomen gelijk, als eeneiige tweelingen') maar de lezer weet dan al dat ook die identiteit deel is van een spel. Als er een verhaallijn te ontdekken is, dan is het die van Palinurus, in relatie tot bovengenoemde elementen: familie, mede-studenten en Estefania; van zijn in het eerste deel beschreven, geaborteerde carriere op een reclamebureau; en ten slotte van zijn dood tijdens de studenten-opstand van 1968 in Mexico Stad, waarvoor de Olympische Spelen in die stad de aanleiding vormden en die het onderwerp is van het voorlaatste hoofdstuk.

Het is mischien wel typerend voor Del Paso dat hij dit, in zekere zin meest serieuze hoofdstuk, juist in de vorm giet van een krankzinnig commedia dell'arte toneelstuk, waarbij hij zich door middel van alweer een overdaad aan persoonswisselingen en onmogelijke regie-aanwijzingen lijkt te willen indekken tegen de mogelijkheid dat het ooit zal worden opgevoerd. Al even typerend moet het dan genoemd worden dat hij dit hoofdstuk over Palinurus' dood laat volgen door een laatste hoofdstuk waar diens geboorte wordt beschreven, die wordt gadegeslagen door welhaast alle personages uit de wereldliteratuur, van Lolita tot Flash Gordon.

Alles lijkt Del Paso met de taal te willen ondernemen; zo telde ik zinnen van bijna acht pagina's in het hoofdstuk getiteld 'De vrolijke helft, de droevige helft, de kwetsbare helft van de wereld.' Als Del Paso een architect was geweest en, bijvoorbeeld, een opdracht voor het ontwerpen van een kathedraal had ontvangen, zou hij zich om te beginnen in een lachstuip van enkele dagen hebben verloren en daarna een ontwerp hebben gemaakt voor een kathedraal die slechts bestaat uit dependances, bijgebouwen en ornamenten, waarvan er sommige op drijfzand zijn gebouwd en andere al imploderen bij eerste beschouwing; sommige torens zouden reiken tot de hemel, andere als mollengangen naar het binnenste der aarde graven; weer andere zouden eindeloze variaties op een ontwerp-thema zijn, illusoire bouwsels en luchtspiegelingen; en ten slotte zou de architect zweren dat dit zijn kathedraal was en tegelijk zijn niet-kathedraal. Maar het is het meest waarschijnlijk dat hij zo'n opdracht nooit zou aanvaarden.

Ten slotte mag niet onvermeld blijven dat ik, bij het lezen van de bijna zevenhonderd pagina's die de twee delen van Del Paso's krachttoer samen tellen, me er maar zelden van bewust was met een vertaling van doen te hebben; Margriet Muris en Ton Ceelen hebben, met het toegankelijk maken van dit boek, juist in een taalgebied waar 'overdaad schaadt' als een diepe wijsheid geldt, een prestatie geleverd die de allerhoogste lof verdient.

    • Jan Donkers