Wat een slim ventje ben ik toch; Gedichten en wetenschap in Leo Vromans autobiografie

Leo Vroman: Warm, Rood, Nat & Lief. Uitg. Contact, 303 blz. Prijs fl.49,90 en 69,90 (geb.).

'Biologie,' zo schrijft Leo Vroman in zijn autobiografie Warm, rood, nat en lief, 'is zoiets als zitten in het pikkedonker, met alleen een plattegrond en een lucifer.' De hematoloog, schrijver, dichter en tekenaar komt tot dit beeld in een passage over aminozuren, de bouwstenen van eiwitten. Een eiwitmolecule lijkt op een woord, maar dan een woord van honderden aan elkaar geregen letters gekozen uit een alfabet van twintig. En dan is dat woord nog eens vijftig keer langer dan het langste woord in 'gewone' taal, en vertakt met een lus hier en daar. Om een enkel moment van je leven te begrijpen, rekent Vroman uit, moet je tien miljoen jaar lichaamseiwitten lezen en dan verandert onder het lezen ook nog eens de tekst.

Het is een beeld dat veelvuldig is terug te vinden in Vromans werk. Letterlijk komt het voor in het lange gedicht Liefde sterk vergroot, waarvan de 'zesde les', een lofzang op de biologie van het bloedplasma, dankzij de minutieuze en tastbare beschrijvingen van Vromans knusse laboratoriumwereld nu in breder perspectief komt te staan. En het beeld wordt ook figuurlijk gebruikt, zoals in het gedicht 'Van aanvang tot slot' uit de bundel De godganselijke nacht. Dat is een vers als een kettingwoord, meerduidig leesbaar en zich uitstrekkend over de volle bladspiegel.

Zo gescheiden als Vromans Amerikaanse leefwereld is van de Nederlandse (op de ochtend van zijn vertrek uit New York naar Groningen, in de lift tegen zijn buurman uit Brooklyn: “Ik krijg straks in Nederland een eredoctoraat.” Antwoord: “Well, have a nice day.”), zo verweven zijn die van de biologie en zijn poezie. Zijn wetenschappelijke leven lang heeft hij de adsorptie (met een d) van bloedeiwitten aan oppervlakken onderzocht. Dat was veel ingewikkelder dan men altijd dacht. Vroman vond dat in een reageerbuisje bepaalde eiwitten het eerst aan de glaswand adsorbeerden, om na zekere tijd door andere, en daarna weer door andere, te worden vervangen: het Vroman-effect. Over dit inzicht schreef Vroman in 1964 een (naar later bleek: terecht) 'voorzichtig' gesteld artikel voor het tijdschrift Nature. Tegelijk schreef hij het jubelgedicht 'De reactie van Plasma Thromboplastin Antecedent (PTA) met Hageman Factor (HF)', opgenomen in de bundel Almanak: 'het liefst zou ik, nog steeds gek, / thuis in een stoel blijven / zitten en zeggen och och / wat een slim ventje ben ik toch.'

Warm, rood, nat en lief maakt dit gedicht nu toegankelijker. 'Een chroom en grijs instrument waarvan ik haast menselijk houd' uit het gedicht blijkt het optische instrument waarmee uiterst dunne laagjes op een spiegelende wand kunnen worden waargenomen. En meneer Hageman miste in zijn bloed de stollingsfactor nr XII die naar hem is genoemd.

Vroman komt uit zijn autobiografie naar voren als een ouderwets soort geleerde, tevreden met kleinschalig onderzoek, zonder dure spullen en kapsones maar met Scotch-plakband om oppervlakken te fixeren. Totdat hij in 1985, toen het met de grants niet meer wilde vlotten, ontslag nam bij het Veterans Administration Hospital en naar Columbia University verhuisde. Zijn apparatuur kon hij meteen meenemen, geen onderzoeker die zijn spullen nog gebruikte.

Voor wie niets van bloedeiwitten en plasma's wil weten staat in Warm, rood, nat en lief gelukkig meer dan alleen maar wetenschap. Hij schrijft bijvoorbeeld over de oorlogsjaren, en over zijn opleiding in het Nederlands-Indische leger. 'Ik leerde schieten met een loodzwaar geweer van 1905, door gewoon met van vermoeidheid trillende handen te wachten tot het doelwit langskwam, soms een voortgetrokken pop die wandelende jood werd genoemd zodat ik soms even aarzelde. Maar op die manier schoot ik zo goed dat ik mijn eigen wapen mocht kiezen.'

Uitvoeriger dan in de prozabundel De adem van Mars gaat hij in op kampervaringen in Indie en Japan. Na de bevrijding, op weg naar Manila en in gedachten bij de wetenschap: 'Mijn leven had ineens weer het oude doel, en ik vind het zelfs nu nog een hinderlijk oponthoud om over die tussentijd te schrijven.'

Vromans autobiografie is niet bij zijn vaste uitgever Querido verschenen. Er zou teveel wetenschap inzitten, waardoor het boek onverkoopbaar zou zijn. Wat een treurigheid, wat een schraapzucht, wat een miskenning. En wat een intens gebrek aan fatsoen. Betekent dit dat Vroman voortaan ook bloedeloze poezie moet schrijven?

Vromans intieme toon, de stoet neologismen, de onverwachte wendingen, de luchtige illustraties (soms weggelopen sheets uit een lezing met lichtbeelden), de 'samenvattende' gedichten die de hoofdstukken afsluiten, die deken van aardigheid - ze zijn allemaal present. In Warm, rood, nat en lief komt geen enkele formule voor! Wel een boel eiwitten, inderdaad, bij voorbeeld trombine, fibrine en weet ik wat al niet. Maar de ongepolijste manier waarop Vroman de ontwikkelingen binnen zijn vakgebied beschrijft, mislukkingen en blunders nooit verzwijgend, is vergeleken met wat zijn vakgenoten schrijven een verademing. Ook een vergelijking met Vromans Bloed, dat in 1968 bij een wetenschappelijke uitgeverij verscheenen, gaat mank. Dat boek had veel meer structuur, was meer een vrolijk soort leerboek.

Aan het eind van Warm, rood, nat en lief schrijft Vroman: 'Het leek mij leuk om je te laten zien hoe mijn eigen beetje (echt maar een beetje!) kennis groeide terwijl ik groeide, en ook hoe een zogenaamde geleerde, van wie je zou verwachten dat hij een veilig inkomen had, van jaar tot jaar moest leven en telkens weer zijn gezin blootstellen aan totale onzekerheid, een soort van inkomen-met-een-kleine-horizon.'

Wie van Vroman houdt, laat zich door termen als 'hydrofiel' of 'hydrofoob' niet weerhouden. En leest: 'Ik wou je niet bezwaren maar verlichten. / En al die kleine feiten dan? / Dat is waar, het wordt tijd voor vergezichten. / Dus onthoud alleen maar de gedichten / en vergeet ook daar de woorden van.'

    • Dirk van Delft