Waarheid zoeken in twee dimensies

Valt in een speelfilm een historische waarheid te achterhalen? Toen het over Vietnam ging, heeft Hollywood niet eens kunnen wachten tot het laatste schot was gevallen.

Vervolgens heeft Vietnam nog tientallen films veroorzaakt, teveel om te zien, teveel om te herinneren. Er zijn drie soorten: het Rambo-genre waarin de held postdato in z'n eentje de oorlog nog min of meer weet te winnen, de films waarin de nasleep van de oorlog in trauma's en verbittering wordt verbeeld en de moeilijkste: waarin de makers een poging doen de werkelijkheid van de oorlog te herstellen. Daartoe horen bijvoorbeeld Apocalypse Now, The Deer Hunter en Platoon. Die laatste, van Oliver Stone, is indertijd met bijzondere geestdrift ontvangen. Time heeft er zelfs zijn omslagverhaal aan gewijd: eindelijk de werkelijkheid zoals die was.

Dat is een jaar of acht geleden. Een paar dagen na de premiere ben ik gaan kijken. Van de film staat me niets meer bij; wel van het Newyorkse publiek dat applaudisseerde toen een paar soldaten van de Vietcong het loodje legden. Is dat een argument tegen deze film? Ik geloof graag dat Stone zijn best heeft gedaan om 'de werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen', en met een beetje genuanceerde dialectiek valt dat applausje in de bioscoopzaal op te vatten als een compliment, want zo is het nu eenmaal: de meeste rechtgeaarde vaderlanders kunnen hun opgetogenheid niet onderdrukken als de vijand in het stof bijt. Dat is ook een 'werkelijkheid van de oorlog.'

Maar wat me aan werkelijkheidsgehalte het best is bijgebleven komt uit een documentaire: Dear America, Letters Home from Vietnam van Bill Couturie. De film bestaat uit journaals, de tekst komt uit de brieven die de soldaten naar huis schreven en wat het 'thuisfront' terugschreef. De stompzinnigheid van de oorlog wordt niet weergegeven door de beelden van de gesneuvelden en de bodybags maar ligt in de gegalvaniseerde taal van de redevoeringen - Nixon aan het woord, een persconferentie van generaal Westmoreland; de paniek op het dak van de Amerikaanse ambassade in Saigon en de vanzelfsprekendheid waarmee nieuwe, overbodig geworden helikopters van een vliegdekschip in zee worden gekieperd. Die werkelijkheid is ook onversneden aanwezig in een gewoon, geschreven verslag over de ontruiming van Danang. Ik citeer uit mijn hoofd: “Een van de soldaten schopte een oude vrouw in het gezicht om aan boord te kunnen komen. In de film zou zo iemand door een ridderlijk man met een kaakslag zijn geveld waarna de oude vrouw in het vliegtuig was getild, maar we zaten niet in de bioscoop. De vrouw viel op de startbaan en het vliegtuig met de soldaat steeg op.” Dergelijke scenes vallen wel na te vertellen, maar vallen ze ook na te maken? Dat is het vraagstuk van iedere regisseur die zich aan een speelfilm met maximaal werkelijkheidsgehalte over de oorlog waagt.

Een jaar of zestien geleden moest ik iedere zondag in een radiostudio aan de Kneuterdijk in Den Haag zijn. Op een schrale, zonnige ochtend waren daar in de buurt de meeste straten afgezet: politie en hekken. Ik liep de Lange Vijverberg langs, sloeg de hoek om en daar kwam me een detachement Duitse soldaten tegemoet en verderop wapperden hakenkruisvlaggen. Dat tafereel, zo volstrekt onverwacht op mijn netvlies, veroorzaakte een wonder: in een ogenblik tuimelde ik terug in de oorlog - een seconde van het hoogste werkelijkheidsgehalte - en in het volgende ogenblik meteen ook weer uit. Een film, natuurlijk. Daar werden opnamen gemaakt voor Soldaat van Oranje. Ik bekeek de Duitsers; ze zagen er authentiek haatwaardig uit. Ik heb stukken van de film op de televisie gezien. Niets zou ik er nog van weten te vertellen.

Dat is het vraagstuk van Schindler's List. Die verhoudt zich tot Shoah als een betere Platoon zich misschien zou verhouden tot Dear America. Mij dunkt, daar hoeft men nog geen bezwaar tegen te hebben. Dat komt pas als de maker van de speelfilm zich gaat tooien met een bovenmenselijke kwaliteit: dat hij de herschepper van de werkelijkheid is. Dat is niet mogelijk omdat de dramatische interpretatie van de lotgevallen der deelnemers door een derde achteraf altijd moet verschillen van wat men zich zelf herinnert, ook al heeft het geheugen zijn eigen gebreken. Dat is, denk ik, wat Lanzmann op Spielberg tegen heeft: niet de poging tot gedramatiseerde geschiedenis maar de pretentie dat daarmee de werkelijkheid wordt hersteld. Zelfs al heb ik het grootste deel van Schindler's List me vaak moeten dwingen om te blijven kijken, kan ik begrijpen dat Lanzmann eindelijk tot zijn conclusie kwam: kitsch. Misschien kunnen we over een paar jaar oordelen over wie er nu gelijk heeft.

    • H.J.A. Hofland