Vavoom

Kunstschrift 94/2: De romance tussen kunst & strip. Uitg. Sdu/Openbaar Kunstbezit, 56 blz. Prijs fl.14,75.

Een van de memorabele figuren uit de avonturen van Donald Duck is de kunstschilder Piet Kassa. Getooid met dezelfde artistieke alpinopet die ook gedragen wordt door de schilder Terpen Tijn uit de Bommelstrips, maakt hij in een vloek en een zucht abstracte schilderijen. Zoals zijn naam al aangeeft, heeft hij geen moeite met verkopen: iedere snob in Duckstad wil een echte Piet Kassa aan de muur.

Disney's clichebeeld van de moderne kunstenaar is niet te vinden in het themanummer dat Kunstschrift deze maand wijdde aan 'de romance tussen kunst & strip'. Het merendeel van de artikelen gaat over de doorwerking van strips in de beeldende kunst; welke invloed de beeldende kunst op het stripverhaal heeft, komt jammer genoeg niet aan de orde. Geen woord dus over kunststriptekenaars als Moebius en Mattotti, wel uitgebreid aandacht voor de cartoon-achtige elementen in het werk van de 'abstract impressionist' Philip Guston (1913-1980) en de door James Ensor beinvloede jonge Amerikaan Michael Byron. Geen tekeningen van Herge, Uderzo of Willy Vandersteen; wel Dick Tracy door Andy Warhol, de day-glo Flintstones van Kenny Scharf, en een nageschilderde Kuifje van Daan van Golden.

De mooie, verrassende kleurenillustraties zijn de voornaamste attractie van deze aflevering van Kunstschrift. De korte en niet allemaal even helder geschreven artikelen sluiten weinig op elkaar aan, de keuze van de apart behandelde kunstenaars maakt een willekeurige indruk (wel Benoit en Glen Baxter, niet Roy Lichtenstein of Mark Kostabi) en de kwesties die aangeroerd worden zijn weinig sprankelend en soms zelfs een beetje afgezaagd ('Het is waarschijnlijk dit enigzins mythische karakter dat Mickey onder kunstenaars populair maakt...'). Het aardigste stuk ('Vavoom') is dat van Jan van Adrichem, die het verschil probeert aan te geven tussen het gebruik van strips door kunstenaars in Amerika en in Europa. Na een korte verhandeling over het werk van onder meer Keith Haring, Meyer Vaisman, Richard Prince en Daan van Golden, concludeert hij dat cartoons door kunstenaars in de Verenigde Staten in de eerste plaats worden gebruikt om de werking van de media te onderzoeken en te kritiseren, terwijl de Europeanen 'de striptaal meer verwerken in een bepaalde schilderstijl, soms met een wat politiek getinte iconografie verstopt in een relativerend jasje.'

De romance tussen kunst en strip, zo blijkt ook uit het stuk van Van Adrichem, is een goed onderwerp, maar met dit themanummer van Kunstschrift is het allesbehalve uitputtend behandeld. Misschien kan om te beginnen het tijdschrift Stripschrift zich eens buigen over de flirt van striptekenaars met de beeldende kunst.