Van weldoener tot aasgier

BONN, 15 APRIL. “We hebben ons allemaal op zijn uitstraling verkeken”, zei een bankier gisteren in Frankfurt over Jürgen Schneider, de man die begin deze week met echtgenote Claudia en “met koffers geld” in zijn privé Lear-jet naar een onbekende plaats in het buitenland verdween en - zo heet het nu al - het grootste na-oorlogse bouw-schandaal in Duitsland achterliet.

Een schandaal waarvan de financiële en psychologische afmetingen trouwens nog niet eens precies vaststaan. De financiële omvang - Schneiders schulden worden geschat op tien miljard mark - wordt nog nader geïnventariseerd door de grote Duitse banken, de Deutsche en de Dresdner lopen als misleide kredietgevers voorop met vorderingen van 1,3 miljard en ruim 300 miljoen mark. Zij staan als serieuze banken min of meer in hun hemd, een paar maanden na het debâcle van de Metallgesellschaft als toezichthouders weer betrapt op onachtzaamheid, slechte kredietcontroles en goedgelovigheid. Günter Ogger, de schrijver van het boek Nieten in Nadelstreifen (Nullen in krijtstreep) weet zijn eerste plaats op de bestsellerlijst (Sachbücher) nog wel even verzekerd. De psychologische schade moet nog blijken in al die Duitse stadscentra waar Schneiders prestigieuze projecten - van paleisjes en klassieke hotels tot warenhuizen en dure winkelpassages - vaak nog wel een tijd in de steigers of leeg zullen blijven staan. Want ook al hebben de banken beloofd om de grootste klappen te helpen opvangen van bouwbedrijven en bedrijfjes die voor Schneider werkten, de affaire valt als een bom in een land dat wegens een ongekende economische recessie toch al in een klarige stemming verkeert. Vooral in Oost-Duitsland, in Berlijn en Leipzig bijvoorbeeld, dreigen Schneiders monumenten voorlopig een zó lelijke kant van de sinds 1990 gelden “vrije markteconomie” te laten zien dat heel goed te begrijpen valt dat kanselier Helmut Kohl zich deze week direct zeer ongerust maakte.

Wie dezer dagen in Duitsland aan de kiosk het weekblad Stern én het dagblad Bildzeitung kocht kon zijn ogen uitwrijven. Zelden zal zo duidelijk zijn geïllustreerd hoe snel de dingen kunnen verkeren. Het Hamburgse, min of meer linkse weekblad, gedateerd 14 april maar natuurlijk een paar dagen eerder geschreven, viert Schneider in een vriendelijk stukje (pag. 15) nog als “een man van milde gaven” omdat hij zo goed was om de noodlijdende stad Wiesbaden de bouwkosten (12 miljoen) van een alternatief cultuurcentrum te schenken. Het blad weet ook dat Schneider een sobere levenswijze prefereert (“Ik houd niet van champagnedrinkers”).

De boulevardkrant Bild kon dat een paar dagen later anders zien. Woensdag werd Schneider op de voorpagina bij de lezers geïntroduceerd als Der feine Schuft. Donderdag volgde de kop: Paniek! Duizenden gaan hun baan verliezen. Gucci-schoenen van 600 mark draagt hij, maatpakken uit Londen van 6.000 mark, een Cartier-horloge van 100.000 mark. In het kasteeltje Königstein bij Frankfurt, waar hij woonde en waar het hoofdkantoor is gevestigd van zijn ingewikkelde onroerend-goedimperium (met vele juridisch zelfstandige maar allemaal door hemzelf geleide dochters), liep hij gaten in de rotsen springen voor een parkeergarage voor zijn Mercedes 600, weet Bild ook. De vroegere metselaar, want zo moet de 59-jarige Schneider ooit bij Duitslands grootste bouwbedrijf Holzmann begonnen zijn, is een Aasgier (Pleitegeier), weet het massablad ook. En zij laten - men moet het niet te moeilijk maken - woedende bouwvakkers en kleine middenstanders reageren op het schandaal. Wat die reacties betreft is het trouwens begrijpelijk dat Schneider zich thans niet in Duitsland laat zien, want de meeste ondervraagden blijken voorstander van vergaand snelrecht (“de nek omdraaien”)

Serieuze Duitse kranten richten zich intussen steeds meer op de rol van de banken en de dramatische verslechtering van de onroerend-goedmarkt in de Bondsrepubliek, die na de Duitse eenwording roodgloeiend draaide. Opnieuw valt het op - net als eerder bij de “plotselinge” tegenvallers die bijvoorbeeld de auto-industrie beleefde in 1992 en 1993 - dat het voorspellend vermogen van de banken als kredietverschaffers kennelijk zo gering is. Als in Duitslands financiële centrum, Frankfurt, binnenkort op de hogere etages geen koppen gaan rollen, gebeurt het nooit meer - is de begrijpelijke teneur van vele boze commentaren.