Schoonmaak bij de Oosteuropabank

Negen maanden na het schandaal dat leidde tot het aftreden van Jacques Attali is de rust weergekeerd bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD). Zijn opvolger Jacques de Larosière heeft grote schoonmaak gehouden en kan op de jaarvergadering, volgende week in Sint Petersburg, mooie resultaten melden. “Nog een paar jaar en dan weet men nauwelijks meer wat de Oosteuropabank is, laat staan hoe de president heet.”

Kerstmis 1993 was een weinig feestelijke aangelegenheid. In het zijzaaltje van de bank werd met nauwelijks verholen weemoed teruggedacht aan het bruisende kerstfeest van het jaar daarvoor, toen bankpresident Attali het sjieke Grosvenor House Hotel in Londen had afgehuurd en à raison van 52.000 pond sterling een partijtje voor het voltallige personeel gaf. Dit jaar was het budget binnen de perken gehouden: 2 pond per persoon.

De kersttoespraak van de nieuwe topman droeg ook al niet bij aan de stemming. De salarissen zouden in 1994 slechts met 1,5 procent omhoog gaan (bij een inflatie van 2,4 procent). “De toon van zijn toespraak was nogal negatief”, aldus een functionaris van de bank. “Weinig motiverend; dat we vooral hard moesten werken om het imago van de bank op te vijzelen. Het gaf ons het idee dat we moesten lijden voor iets wat we niet hadden gedaan. Maar ja, dat kun je moeilijk hardop zeggen als net de hele wereld over je heengevallen is wegens de hoge uitgaven.”

One Exchange Square, in het hart van de Londense City. Het Italiaanse carrara-marmer zit er nog, de ingebouwde vloer- en plafondverlichting werkt nog en de deuren van ruim vijfduizend gulden per stuk hangen nog in de scharnieren. Maar verder is weinig hetzelfde gebleven in het hoofdkantoor van de 'Oosteuropabank', sinds de Fransman Jacques de Larosière in september vorig jaar aantrad als opvolger van zijn landgenoot Jacques Attali, die het veld moest ruimen na hevige kritiek op onder meer de wel zeer luxueuze inrichting van de bank en het veelvuldige gebruik van privé-vliegtuigen.

Jacques Deux, zoals de nieuwe topman al snel werd genoemd, verklaarde bij zijn komst 'geen week langer met de problemen uit het verleden te kunnen leven' en haalde in duizelingwekkend tempo de bezem door de organisatie en de uitgaven. Zo werd het bureau voorlichting van de bank gehalveerd en moest er voortaan goedkoper worden gereisd. Om het goede voorbeeld te geven vloog de president zelf economy class naar Washington. “Wij reizen nu goedkoper dan enige andere financiële instelling”, aldus een werknemer. “Je krijgt daardoor de rare situatie dat als je met mensen van de Wereldbank naar Rusland vliegt voor een gezamenlijk project, zij eerste klas reizen en in een duur hotel overnachten, terwijl wij business class zitten en in een goedkoper etablissement verblijven.”

Maar de versoberingsdrift van Jacques Martin Henri Marie de Larosière de Champfeu, die eerder furore maakte als directeur bij het Internationaal Monetair Fonds en bij de Franse centrale bank, reikt verder. De koffie is niet meer gratis, het eten in de kantine en het restaurant is niet langer gesubsidieerd, op de kopieerapparaten zit tegenwoordig een sleutel en sommigen beweren zelfs dat er een decreet is uitgegaan over goedkoper toiletpapier. In het kader van de bezuinigingen worden binnenkort twee verdiepingen van het EBRD-gebouw verhuurd.

“Larosière slaat door, hij wil iets te veel het beste jongetje van de klas zijn”, aldus een werknemer. Een andere functionaris meent dat het beleid vanzelf minder sober zal worden. “Dit is een overreactie op het extravagante verleden, dat hou je geen drie jaar vol. Het gaat even om het signaal, laten zien dat we wel in de pas kunnen lopen. Als we niet met een groot imago-probleem hadden gezeten, had het personeel zo'n salarisverhoging van 1,5 procent niet gepikt en was er opstand gekomen. Maar doordat we de geloofwaardigheid van de bank moeten oppoetsen, kan Larosière dit één keer doen.”

De overgang van Attali naar Larosière is met veel pijn gepaard gegaan, erkent de secretaris-generaal, de Nederlander Bart le Blanc. “Die pijn is vervelend. Bij buitenstaanders heerst toch een idee van 'ze zullen bij die bank nu wel begrijpen dat het feest voorbij is'. Maar 99,9 procent van de mensen hier heeft nooit deel gehad aan dat feest.” Toch vindt hij de kritiek op de bezuinigingsdrift niet helemaal terecht. “Als Ruding of Larosière hier van meet af aan had gezeten was die soberheid er vanaf het begin af aan geweest. En gezien het feit dat de bank wordt gefinancierd door belastingbetalers, onder meer uit een aantal arme landen, had die soberheid er ook vanaf het begin móeten zijn. De manier waarop nu geld wordt uitgegeven, is zoals het moet en had gemoeten.”

Pijn of niet, Larosière kan volgende week op de jaarvergadering in Sint Petersburg aardige resultaten op tafel leggen. Vorig jaar keurde de bank 91 nieuwe projecten goed in Oost-Europa, 40 meer dan in 1992. Daarmee ligt het totale aantal nu op 156. (Tussen 1 januari en medio maart is dit aantal opgelopen tot 169). De waarde van de toegezegde leningen in 1993 verdubbelde ten opzichte van 1992 en bedroeg 1,8 miljard ecu. Daadwerkelijk uitgekeerd op deze committeringen werd 435 miljoen ecu, tegen 122 miljoen ecu het jaar daarvoor. Ter vergelijking: multilaterale financiers keerden vorig jaar in totaal 3,9 miljard dollar krediet uit aan Oost-Europa. Hiervan kwam 2,3 miljard dollar van het IMF, en de rest van de Wereldbank, de EBRD en de Europese Investeringsbank. De EBRD is daarmee betrokken bij 10 à 15 procent van alle directe buitenlandse investeringen in Oost-Europa, een percentage dat Le Blanc enerzijds tot tevredenheid, anderzijds tot zorg stemt. “Dit cijfer bewijst dat de bank een belangrijke rol speelt in het economische overgangsproces in Oost-Europa. Aan de andere kant, aangezien de EBRD maar een relatief bescheiden bedrag geeft, laat het ook zien hoe gering de totale geldstroom richting Oost-Europa is.”

De winst van 4 miljoen ecu in 1993 die de bank onlangs bekend maakte kwam, na de verliezen van respectievelijk 7 en 6 miljoen ecu in de eerste twee jaar, als een grote verrassing. “Hoogst uitzonderlijk en dat maken we voorlopig niet meer mee”, zo dempt een medewerker de euforie. “De winst was uitsluitend te danken aan de treasury-activiteiten en de gunstige rente-ontwikkeling. Met de eigenlijke activiteiten in Oost-Europa had het niets te maken. De uitgaven van de bank nemen alleen maar toe, onder meer doordat 1994 het eerste jaar wordt dat we huur moeten betalen voor dit gebouw. Het zal nog enkele jaren duren voordat de bank uit de aanloopverliezen is.”

De kritiek op de geringe hoeveelheid projecten en uitgekeerde leningen, die vorig jaar mede leidde tot het schandaal rond president Attali, is inmiddels verstomd. Er zijn zelfs geluiden binnen de bank dat de project-portefeuille te snel groeit. “In vergelijking met de Wereldbank, die haar eerste drie jaar geen enkel project van de grond kreeg, hebben wij in hoog tempo veel projecten opgezet”, aldus een functionaris. “Dat is riskant, omdat we vaak hebben gewerkt zonder geld van andere financiers. De groei wordt echter vanzelf geremd doordat bestaande projecten veel aandacht eisen en het aantal werknemers en het budget niet worden uitgebreid. Het credo is nu: liever heel goede projecten en een iets kleiner aantal dan andersom.”

Het totaalbedrag aan toegezegde leningen zal dit jaar gelijk zijn aan vorig jaar: 1,8 miljard ecu. “Begrotingsdiscipline is the name of the game”, aldus J. Hilbers, de Nederlandse bewindvoerder (afgevaardigde in het bankbestuur). “Tegenwoordig wordt beter gekeken naar de kwaliteit van een project. Is dit het project dat in zijn soort het meeste bijdraagt aan de overgang van plan naar markt? Ik denk dat we op deze voet met de uitgaven door moeten gaan, dat dwingt tot nadenken over het beleid, al moet je natuurlijk oppassen dat je niet alle goede mensen kwijtraakt aan bancaire instellingen die beter betalen.”

Larosière zal op de jaarvergadering veel lof oogsten voor de nieuwe koers, zo is de verwachting binnen de bank. In zes maanden tijd heeft hij de hele organisatie overhoop gehaald: de twee belangrijkste afdelingen, de merchant bank (de 'commerciële' tak, die projecten in de private sector opzette) en de ontwikkelingsbank (die publieke projecten op het gebied van infrastructuur, waterzuivering e.d. opzette) werden samengevoegd. Er werden landenteams gevormd die zich specifiek op één land in Oost-Europa richten. Van de zestig overtollige werknemers zijn er veertig herplaatst binnen de bank.

Ook stelde Larosière, na overleg met de aandeelhouders, nieuwe prioriteiten: de bank moet zich meer richten op de private sector in Oost-Europa, aangezien die meer dan de publieke sector bijdraagt aan de overgang van plan- naar markteconomie. Bovendien wordt daarmee overlapping met de Wereldbank, expert in publieke projecten, zoveel mogelijk voorkomen. Door de toegenomen focus op de private sector moeten de 'development-bankers' zich een andere cultuur eigen maken.

Ook zal in de toekomst meer werk ter plaatse worden verricht en minder vanuit Londen, door de nu twaalf EBRD-'filialen' in Oost-Europa uit te breiden. Dat heeft het voordeel dat de loonkosten lager zijn, er minder taal- en cultuurproblemen zijn en er en passant kennis wordt doorgegeven. Een andere prioriteit is de verbetering van de geografische spreiding van de projecten: waren tot nu toe Polen, Hongarije en het voormalige Tsjechoslowakije de meest begunstigden, de blik zal nu worden gericht op de verder gelegen landen. Tot nu toe zijn in zes van de 25 betrokken landen in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie nog geen projecten opgezet. Ten slotte is de aandacht verschoven van joint ventures naar financiering van lokale bedrijven, met name om het midden- en kleinbedrijf beter te bereiken.

Door de reorganisatie is het hap-snap-beleid van vroeger verdwenen, meent secretaris-generaal Le Blanc. “De concurrentie tussen de merchant bankers en de development bankers is verdwenen: vroeger werd een project op het ene bureau afgekeurd, terwijl het op het andere bureau werd omarmd.” Een andere functionaris omschrijft de oude scheiding tussen development banking en merchant banking als twee culturen onder één dak. “Er was nauwelijks synthese. In plaats dat de ene tak nou een stadsbussenproject financierde en de andere een lening gaf aan een bussenfabriek, gaven de developpers geld voor een wegenproject en verstrekten de merchant-bankers een lening voor een hamburgertent.”

Een half jaar na de komst van Larosière is de kater van het tijdperk-Attali vrijwel verwerkt. “Larosière heeft een streep onder het verleden gezet. Hij wil laten zien dat de Fransen heus wel een bank kunnen leiden”, aldus een functionaris. Een ander omschrijft de nieuwe topman als 'veel meer een uitvoerder dan zijn voorganger, en veel verzoenender'. “Attali dreef de zaak graag op de spits. Als de aandeelhouders piepten over de import van goedkoop staal uit Oost-Europa, besloot Attali juist om meer staalprojecten te financieren.”

In zekere zin was de volgorde Attali-Larosière logisch, volgens velen. Attali heeft de bank op poten gezet en Larosière brengt nu rust in de tent. “Onder het vorige bewind was de EBRD een politieke instelling en pas op de tweede plaats een bank. Dat financiële element is nu naar voren gehaald”, zegt Bart le Blanc. Ook qua persoon is de sfeer binnen de bank veranderd. “Attali bemoeide zich overal mee, was een potentaat”, volgens een werknemer. “Hij verstopte ieders fax-apparaat met zijn eigen toespraken en persberichten. Als Attali zich tijdens een vergadering verveelde, ging hij een krant lezen of z'n post doornemen. Larosière daarentegen is een gentleman, die veel luistert.” Larosière is zeer low-profile en zijn ambitie ligt veel lager dan die van Attali, vindt men in de bank. “Hij wil dat de bank een goed draaiend, respectvol instituut is dat zijn steentje bijdraagt aan de opbouw van Oost-Europa. Interviews geeft hij nooit. De resultaten moeten voor zich spreken, zegt hij. Maar hij is gewoon als de dood dat hij ooit met Attali wordt vergeleken.”

Nog een paar jaar en dan is de EBRD een gewone regionale ontwikkelingsbank, zegt een medewerker. “Dan zijn we uit de schijnwerpers verdwenen en weet men nauwelijks meer wat de Oosteuropabank is. Dan zijn we net als de Europese Investeringsbank of de Aziatische Ontwikkelingsbank, daar weet ook niemand van hoe de president heet.”

    • Friederike de Raat