Rauw zijn en goor doen; De anti-sterren 10: Ariane Schluter

Ongegeneerd zijn is voor actrice Ariane Schluter een drijfveer om te spelen. In Kaatje is verdronken was ze een hitsige dochter die haar geilheid liefst van de daken schreeuwde. “Uiteindelijk schieten de woorden tekort en dat verraadt het lichaam. Dat bloost. Ik gebruik mijn lichaam om de woorden tegen te spreken,” zegt ze. Tiende en laatste aflevering in de serie 'De anti-sterren', de diva's en idolen die opvallend onopvallend hun plaatsen innamen, aldus de samenstellers van de serie.

In het appartement in de Amsterdamse Jordaan waar Ariane Schluter woont, hangt een reproduktie van Andy Warhols visie op Marilyn Monroe boven een vol prikbord. In de gauwigheid tel ik drie ansichten met Monroe, terwijl er op een randje ernaast nog eens twee staan. Schluter is een fan: “Over haar wil ik ooit een voorstelling maken. Ik lees veel biografieen van sterke vrouwen. Die inspireren me, maar ze gaan me niet aan. Monroe wel. Ze ontroert me. Ze was niet perfect en toch duizend keer ontwapenender en erotischer dan die bedachte Madonna. Als actrice vind ik haar niet geweldig, zingen kon ze wel. Dat 'Happy Birthday to You' voor President Kennedy! In een te krappe jurk met niks eronder, half dronken - onvolmaakt, mooi en heerlijk, want compleet eigen. Ongegeneerd en taboes doorbrekend zonder dat ze dat zelf wist. Zo'n vrouw in je land hebben, dat is toch geweldig?”

'Ongegeneerd' is een woord dat Ariane Schluter (1966) verschillende malen zal gebruiken om haar werk als actrice te definieren en te duiden. Ongegeneerd zijn maakt deel uit van haar techniek en is voor haar een drijfveer om te spelen. In Kaatje is verdronken (1992, regie: Alex van Warmerdam) was ze een aan een stuk door hitsige dochter die haar geilheid liefst van de daken schreeuwde, voor het recent gespeelde en bejubelde stuk 06 (regie: Johan Doesburg) gaf ze zich met lichaam, met ziel en met haar kenmerkende hese stemgeluid over aan Sara, die de eenzaamheid probeert te verdrijven met telefoonseks.

Zelf verwijst ze naar haar rol in het stuk Grieks van Steven Berkoff: “Ik kroop tijdens een heel moeilijke monoloog over een lange tafel naar mijn tegenspeler, trok hem op tafel en bedreef met hem de liefde in de vorm van een dans. Aan de ene kant wist ik precies wat ik deed, aan de andere kant realiseerde ik me bij deze scene elke keer dat hij alleen deze vorm had gekregen omdat je op het toneel niet echt kunt gaan liggen neuken.”

Over hoe ze een rol aanpakt is ze weinig uitgesproken. “Is een stuk goed dan weet ik altijd waar het heen moet, zodra ik het heb gelezen. Ik moet alleen ontdekken hoe.” Gaat ze uitleggen hoe ze die weg naar haar rol aflegt, dan wordt er geen zin meer afgemaakt: “Wat ik ook zeg, het is geklets. Je hebt je ambacht en je hebt de tekst en verder valt er weinig meer te beredeneren. En niet schrijven dat het een mysterie is, he, want dat is het niet. Ik kan het alleen niet benoemen. Daarom speel ik, laat me maar dingen verklaren in de taal van anderen, dat lukt beter.”

Grilligheid

Taal is Schluters eerste liefde en biedt haar de voornaamste toegang tot een stuk. “Psychologische interpretatie mag ook, maar je moet er niemand mee lastig vallen. Het belemmert de grilligheid.”

Een nieuw stuk wordt 'oeverloos' hardop gelezen. “Taal geeft zoveel. Als je er niets mee doet is het al iets. Uiteindelijk schieten de woorden tekort en dat verraadt het lichaam. Dat bloost. Ik gebruik mijn lichaam om de woorden tegen te spreken.”

Een ander houvast voor een rol wordt gezocht in studie. Schluter leest voor een nieuwe rol alles wat ze te pakken kan krijgen. Maar ze doet niets met die kennis. “Ik houd niet van acteurs die zich boven een rol opstellen en er iets mee willen uitdragen. Soms belet ik mezelf met opzet om na te denken. Voor het spelen helpt lezen niks. Lezen schenkt intellectuele bevrediging, die krijg je niet op het toneel. Hoef ik ook niet, dan wordt mijn kop weer eens een keer uitgeschakeld. Op de middelbare school werd ik al gek van die kop. Ik was een goede leerling en ik werd altijd aangesproken op mijn hersens. Ik was heel dik, een binnenvetter, een boekenwurm. 's Avonds verzamelde ik de personages uit de boeken om me heen. Ze hielden me gezelschap en ik sprak ze toe. Tolstoj's Anna Karenina legde ik uit hoe dom het was om onder die trein te springen.”

Al eerder had ze meegemaakt hoe er voor een schoolvoorstelling een bedrijf uit Shakespeare's Julius Caesar werd uitgevoerd. Ariane Schluter was twaalf en speelde Marcus Antonius: 'Romeinen, vrienden, burgers, leent mij 't oor / begraven kom ik Caesar, niet hem prijzen'. “Van die tekst snapte ik niets, maar ik werd verliefd op de sensatie dat je iets zegt en dat anderen naar jou luisteren, naar jou kijken. Vanaf dat moment leidde ik een leven naast mijn gewone leven en dat bestond uit het geheime verlangen om te acteren.”

Schluter citeert de eerste strofen van het sonnet 'De Danser' van Nijhoff:

Onder mijn huid leeft een gevangen dier

Dat wild beweegt en zich naar buiten bijt

Zijn donker bloed bonst, zijn gedrongen spier

Trilt in krampachtige gebondenheid.

“Zo was ik als puber” zegt ze. Zo ben je nog altijd, denk ik.

Voor deze jongste dochter van een huisarts in Leidschendam lag auditie voor een toneelschool niet voor de hand. Uitstapjes naar voorstellingen van De Appel of De Haagse Comedie waren vanzelfsprekend maar deden haar weinig, de clown van de familie was ze niet en nooit zei iemand eens tegen haar: jij zou aan het toneel moeten. Dat ze als 16-jarige in Amsterdam een poging deed om te worden toegelaten tot een acteursopleiding verbaasde haar omgeving hogelijk. Dat ze een jaar later in Maastricht werd aangenomen bracht ook haarzelf in verwarring. Pas in het derde jaar van die opleiding begreep ze waar ze naar verlangde: “Toen ik als schoolmeisje met vakantie ging, dan waren we nog niet weg of ik spatte uit. Zo voelt toneelspelen: met vakantie zijn en niet meer braaf doen.”

In dat derde en in het vierde jaar kreeg ze les van de regisseurs Theu Boermans en Johan Simons. “Zij zochten niet naar de ideale acteur, ze keken naar jou, naar wat jouw specifieke kracht is. Ik ben vervangbaar, niemand zit op Ariane Schluter te wachten. Maar op het moment dat ik iets speel, moet het Ariane Schluter zijn. Door hen ontdekte ik waarom ik wilde acteren. Het had met rauw zijn te maken, met goor doen. Ik zat altijd nog maar aan te hikken tegen dat nette meisje, geen gangmaker, welgemanierd, beleefd. Het is nu aan het kenteren, maar jarenlang was ik bezeten van Pasolini, van Henry Miller, van De Sade. Boermans en Simons lieten me kennismaken met fantasie zonder censuur. Raakt een stuk me, dan mag ik alles en dan durf ik alles - in een academie-voorstelling van Johan Simons plaste ik over een tl-buis. Niet voor het shock-effect, maar omdat het bij die vrouw paste: zij liet haar emoties de vrije loop.”

Wilde fantasie

De theatermaker Johan Doesburg, met wie Schluter vijf maal samenwerkte, liet zich inspireren door Schluters hang naar wilde fantasie. Hij deed dat onder meer in Grieks en LUNCH, twee stukken van Berkoff en vooral met 06, een voorstelling die Marcel Otten schreef op basis van door Doesburg geleide improvisaties van Schluter en haar tegenspeler Ad van Kempen. Het leidde tot een spannende, bizarre voorstelling: Schluter en Van Kempen speelden, ieder in een eigen ruimte en elk gevolgd door een camera, een man en een vrouw die elkaar dankzij een 06-sekslijn hebben leren kennen. Vrijwel anoniem en uitsluitend telefonisch onderhouden ze een erotische relatie. In een derde ruimte zaten de toeschouwers van de voorstelling, elk apart in een hokje met een monitor waarop naar eigen smaak en nieuwsgierigheid heen en weer gezapt kon worden tussen beide spelers.

Schluter had het zwaar met het afgesneden zijn van het publiek, vooral omdat ze hiervoor speelde in Kaatje is verdronken: “Die lachsalvo's zijn verslavend en waren des te bijzonderder omdat Alex van Warmerdam bij de repetities bloedserieus was en er nooit blijk van had gegeven toe te werken naar een komisch effect. Kaatje stond haaks op 06. Daar hadden we alleen die stem door de telefoon en onze eigen reacties.”

Beide acteurs gaven zich razend knap en, daar is het woord weer, ongegeneerd over aan de erotische prikkels die hun personages ontleenden aan de woorden van de ander. Er werd met overgave gehijgd, gesteund, gemasturbeerd, gepest, gelogen en opgeschept; kleren gingen los, tranen werden gestort en er klonk een briljant uitgevoerde slappe lach van Schluter wanneer haar Sara zich het komieke van de situatie realiseert.

Hoe ver deze rol ging, besefte Schluter pas door de reacties: “Veel actrices, ook collega's die ik hoogacht, wilden er niet eens naar kijken, die vonden het genant. Het rare is dat ik er zo nooit over heb nagedacht. Ik wilde dit, want ik wist dat 06 alleen op deze manier kon. Het was niet de bedoeling om te choqueren en evenmin wilden we behagen, want dan waren we ons doel voorbij geschoten. Schokkend vind ik een stuk als Berkoffs Decadence: mensen die zich onbeschaamd onherstelbaar vervelen. Gene ken ik alleen wanneer acteurs zichtbaar niet weten wat ze staan te doen. En hoorde ik iemand de figuren in 06 veroordelen - 'jezus, wat een mensen' - dan werd ik hels. Je buurvrouw is zo, en jij ook, zei ik dan.”