Rabobanken in Westland delen in malaise tuinders

MAASDIJK, 15 APRIL. De vijf zelfstandige, maar nauw samenwerkende Rabobanken in het Westland delen duidelijk in de malaise van de Westlandse tuinders ondanks de stijging van de netto-winst in 1993. De balanstotalen van de banken in het kassengebied groeiden met slechts vijf procent, een halvering ten opzichte van 1992.

Rabobankdirecteur B. Varekamp luidde gisteren de noodklok bij de presentatie van de jaarcijfers over 1993, die een stijging van de netto-winst met 11 procent tot 14,2 miljoen gulden tonen. Met het oog op de problemen van de tuinders, van de Rabo huisbankier is, hebben de Rabobanken de helft van het bedrijfsresultaat (41,6 miljoen gulden) in de 'stroppenpot' gestopt. Dat is een uitzonderlijk hoog percentage in vergelijking met de gebruikelijke toevoegingen aan de stroppenpot, de VAR.

Het gaat dramatisch slecht gaat met vooral de teelt van groenten onder glas in het Westland, dat circa 4.000 glastuinbouwbedrijven telt. Het aantal bedrijfsbeëindigingen steeg van gemiddeld twee procent tot drie à vijf procent. De afhankelijkheid van de bank is zo groot geworden, dat bedrijven nauwelijks nog in staat zijn dreigen rente en aflossing te betalen.

Veel van de telers van tuinbouwprodukten zagen in 1992 en 1993 hun liquiditeits- en vermogenspositie verslechteren. Glasgroentebedrijven hebben de laatste twee jaar door de bank genomen ruim twee ton van het eigen vermogen moeten aanspreken. In 1991 had bestond het bedrijf van de gemiddelde groenteteler nog voor zestig procent eigen vermogen. Dat aandeel is teruggelopen tot dertig à veertig procent.

De tuinders zuigen in de malaise een groot aantal toeleveringsbedrijven mee, omdat er niet meer wordt geïnvesteerd. Gevolg daarvan zijn reorganisaties en bedrijfssluitingen onder kassenbouwers. Rond duizend van de 25.000 arbeidsplaatsen zijn inmiddels verloren gegaan. De werkloosheid in het Westland is opgelopen tot ongeveer vier procent.

Om de rampspoed te keren dient de politiek zich volgens Varekamp wel duidelijk uit te spreken over de toekomst van het gebied. Het Westland kan naar zijn mening uitgroeien tot het belangrijkste kennis-, handels- en produktiecentrum op het gebied van tuinbouw in de wereld, als de politiek daarvoor kiest. Het is voor Varekamp duidelijk dat het niet bij enkel beleidsvoornemens kan blijven, de overheid dient ook te investeren in de verdere ontwikkeling van het gebied.

Varekamp ziet de achterblijvende investeringen als een voorbode van de aantasting van de centrumfunctie van de Westlandse tuinbouw. Als oudste glastuinbouwgebied van Nederland kent het Westland veel kleine en verouderde bedrijven van minder dan een hectare. “Bedrijven van meer dan anderhalve hectare vestigen zich elders. Bovendien vallen in Wateringen en Rijswijk stukken tuinbouwgebied weg ten behoeve van woningbouw”.