Paasei

Op de niet zo heel goede vrijdag na Pasen vond commissaris Elco Brinkman nog een groot, misselijk makend paasei op zijn bord. Veel trek had Brinkman niet maar het ei was gelegd, uitgebroed en voorgeschoteld door een bevriende omroep en dan moet je wel, als je politicus bent. Zo kon men waarnemen hoe Brinkman in de daaropvolgende dagen, onder het toeziend oog van bevriende en minder bevriende omroepen en begeleid door het journalistiek geweld van onze vaderlandse pers, de feestelijke versnapering met strik en al - hij wist dat het een valstrik was - naar binnen werkte.

De moeilijkheid met zo'n paasei is dat het niet alleen misselijk maakt maar ook de neiging heeft zich als een eicel te delen en dan groeit daaruit een hele affaire.

De affaire heeft een politieke, een strafrechtelijke en een vennootschapsrechtelijke kant. Een fijnbesnaard beschouwer zal nog wel meer kanten kunnen ontdekken maar ik vind drie al heel wat. Het politieke aspect laat zich mooi opblazen en is dus verreweg het belangrijkste, de andere aspecten zijn daaraan ondergeschikt. Zo ondergeschikt blijkbaar dat men de grootste moeite heeft tussen alle opgewonden rapportages iets zinnigs over de juridische achtergrond te vinden. Misschien moet men zich daarover niet verbazen. Van een journalist kan men niet verwachten dat hij feilloze juridische informatie geeft. Maar het blijft knullig, dat zult u met mij eens zijn, vooral wanneer de onkunde blijkt uit een bijdrage die de juridische achtergrond moet verduidelijken. Ik neem een willekeurig voorbeeld uit een willekeurige krant van zaterdag 9 april.

Onder de onheilspellende kop 'Rechter kan Brinkman ter verantwoording roepen' bericht 'een onzer redacteuren': 'Wanneer blijkt dat Brinkman zijn taak als commissaris kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, kan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam een onderzoek bij de onderneming eisen'. Dat is onzin. De Ondernemingskamer eist niets. Zij kan een of meer personen benoemen om een onderzoek in te stellen als een groep aandeelhouders, de vakbond of de procureur-generaal bij het Gerechtshof daarom vraagt. Voor zover ik weet is dat niet gebeurd en bestaan er ook geen plannen in die richting. Wordt zo'n verzoek gedaan dan is voor de toewijzing daarvan niet beslissend of een commissaris zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Die vraag kan aan de orde komen wanneer de vennootschap failliet gaat en de curator tegen de commissaris een vordering tot betaling van het tekort instelt. Die vordering wordt dan niet ingesteld bij de Ondernemingskamer maar bij de rechtbank. Voor zover ik weet is er geen sprake van faillissement of van een vordering tot betaling van het tekort. Wat hebben dit soort opmerkingen dan voor zin?

Niet alleen op het terrein van het vennootschapsrecht maar ook op strafrechtelijk gebied heeft één onzer redacteuren zich georiënteerd. 'Brinkman trad pas in januari 1992 aan als commissaris van Arscop. Hij kan niet aansprakelijk worden gesteld voor strafbare feiten die vóór zijn aantreden zijn begaan'. Dat klopt. 'Anders wordt het als justitie kan bewijzen dat Brinkman wist dat er voor 1990 belasting werd ontdoken bij Arscop. Dan is hij wel strafrechtelijk aanspreekbaar'. O ja? Misschien wil één onzer redacteuren dat eens uitleggen. Wacht even, hij doet het al: 'In dat opzicht heeft de zwart-geldaffaire bij de Slavenburg-Bank in de jaren tachtig spraakmakende jurisprudentie opgeleverd'. Ja zeker! Maar heeft één onzer redacteuren enig benul wat die spraakmakende jurisprudentie inhield?

'Brinkman raakt ook in moeilijkheden als justitie over aanwijzingen beschikt dat hij op de hoogte was van het wegwerken van sporen in de boekhouding die duiden op de belastingfraude'. Zo ken ik er meer. Ik kan u verzekeren dat één onzer redacteuren in moeilijkheden raakt als justitie over aanwijzingen beschikt dat hij zijn buurvrouw heeft verkracht. Hebt u daarover iets gehoord? Ik niet. Maar het tegendeel is mij ook niet medegedeeld. Dat ligt bij Brinkman anders. De woordvoerder van justitie heeft al de eerste dag laten weten dat er geen enkele grond is om Brinkman van enig strafbaar feit te verdenken.

Zou er nu werkelijk uit juridisch oogpunt niets zinnigs zijn mede te delen? Uit de krantenberichten en de uitzending van Reporter begrijp ik dat het justitiële onderzoek zich richt op vermeende zwart geld-praktijken van Hevatex B.V. in de jaren 1985-1990. Hevatex B.V. was toen een volle dochter van Beheersmaatschappij Arscop B.V., waarvan Brinkman in 1992 commissaris is geworden. Hevatex B.V. is echter al in 1989 verkocht. Brinkmans aangetrouwde oom V. is directeur en enig aandeelhouder van Arscop. Deze vennootschap heeft geen personeel. Haar enige activiteit is het beheren van haar vermogen, waarin blijkbaar ook is gevloeid de opbrengst van het in 1989 verkochte bedrijf. In feite gaat het dus om beheer van familievermogen, niet om een verlengstuk van het bedrijf van Hevatex. Eén onzer redacteuren zou kunnen uitleggen dat, gelet op deze feiten, een in 1992 bij Arscop B.V. toetredende commissaris geen enkele verantwoordelijkheid heeft, ook geen afgeleide, voor eventuele misslagen bij de in 1989 verkochte dochter. Hij zou ook kunnen uitleggen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een commissaris, hoe nauwkeurig hij ook de hem voorgelegde financiële stukken bestudeert, daaruit enig vermoeden zou kunnen putten dat er enige jaren geleden bij de toen verkochte dochtermaatschappij iets mis is geweest. Ten slotte zou hij kunnen uitleggen dat een commissaris zijn informatie pleegt te krijgen van de directie en dat het geen gebruik is in vennootschapsland dat een commissaris zich als een verslaggever van Reporter over de hoofden van de direktie heen richt tot voormalige werknemers van een voormalige dochtermaatschappij om een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken in die tijd.

Heeft Brinkman er verstandig aan gedaan dit commissariaat te aanvaarden? Waarschijnlijk niet maar daarin is in elk geval niets laakbaars gelegen, niet uit strafrechtelijk en niet uit vennootschapsrechtelijk oogpunt. Had één onzer redacteuren na bestudering van de hem bekende feiten en de door hem aangehaalde 'spraakmakende jurisprudentie' niet tot deze conclusie moeten komen? Of was deze conclusie zo weinig interessant dat het beter leek er maar een beetje op los te zwammen?

    • P. van Schilfgaarde