'Over honderd jaar sterven er nog Afghanen door mijnen'

Afgezien van Angola en Cambodja liggen er nergens ter wereld zoveel landmijnen als in Afghanistan. Duizenden mensen, onder wie veel kinderen, zijn de afgelopen jaren gedood of gruwelijk verminkt.

SYED KHEL, 15 APRIL. Behoedzaam veegt Shapoor met een metaaldetector over de grond voor zich tot er plotseling een doordringend gepiep weerklinkt. Een landmijn? Snel maakt hij plaats voor zijn collega Manon, die vervolgens voorzichtig met een puntige stok de grond aftast. Even later houdt die triomfantelijk een metalen granaatscherf omhoog.

Centimeter voor centimeter zoeken ze hier, rondom een geheel verwoeste hoeve bij het dorp Syed Khel, de grond af op landmijnen. Dat de dood op de loer ligt, staat vast. “Kijk, daar bij die muur”, wijst opzichter Khalil Ahmad, “daar is een paar maanden geleden een 12-jarige jongen gedood toen hij op een mijn stapte.” Khalil en zijn team hebben de laatste paar dagen twee PMN-mijnen van Sovjet-makelij en een ongeëxplodeerde mortiergranaat onschadelijk gemaakt.

In Afghanistan wordt hard gewerkt aan de opruiming van de circa vier tot zes miljoen landmijnen die het land telt. Het is de nalatenschap van de jarenlange oorlog tussen het binnengevallen Sovjet-leger en de mujahedeen, de islamitische verzetsstrijders. Sommige mijnen dateren overigens van korter geleden. Die in Syed Khel, zo'n 70 kilometer ten noorden van Kabul, zijn overblijfselen van de strijd vorig jaar tussen twee mujahedeen-facties.

Hoeveel mensen er precies door landmijnen zijn verminkt of gedood is niet te achterhalen in een land waar de communicatiemogelijkheden beperkt zijn. Maar hun aantal loopt zeker in de tienduizenden. Vooral na de val van het communistische bewind in de lente van 1992, toen honderdduizenden vluchtelingen uit Pakistan en Iran naar huis terugkeerden, eisten de mijnen een hoge tol. Menige Afghaan betrad na jaren van ballingschap dolgelukkig zijn vertrouwde grond om minuten later de lucht in te worden geblazen door een landmijn.

Mede hierom begonnen de Verenigde Naties een uitgebreid programma voor de opruiming van mijnen. Nederland is een belangrijke donor. Het ministerie van ontwikkelingssamenwerking draagt vijf miljoen gulden bij. In totaal zijn er nu zo'n 1.800 Afghanen bezig mijnen te ruimen. Vanuit het buurland Pakistan coördineren enkele Westerse deskundigen het programma. Een niet onbelangrijke rol vervult verder de Britse organisatie Halo Trust, een groep gewezen militairen die is gespecialiseerd in het verwijderen van dit oorlogstuig.

De mijnenruimers zullen niet het totale Afghaanse grondgebied doorlichten. Ze beperken zich in eerste instantie tot een aantal grote velden. Zo liggen er veel mijnen langs de grens met Pakistan en, in iets mindere mate, langs de Iraanse grens. Ook in de buurt van de strategische weg langs de Salangpas, ten noorden van Syed Khel, liggen er veel. De Halo Trust, waarvoor ook Khalil en zijn mensen werken, opereert vooral in dit gebied. Van de dertig provincies van Afghanistan is er tot dusverre slechts één, het noordelijke Jozjan, waar geen mijnenvelden zijn aangetroffen.

In het algemeen liggen er vooral bij voormalige militaire posten veel mijnen. Maar de strijdende partijen in Afghanistan beperkten zich daar niet toe. “In het Westen worden mijnen vooral gebruikt ter verdediging van bepaalde posities, als een obstakel voor de tegenpartij”, zegt Tim Porter, hoofd van het kantoor van Halo Trust in Kabul, “in Afghanistan gebruikten de partijen mijnen echter dikwijls in de eerste plaats om te doden of te verwonden.”

Daarbij maakten ze gebruik van speciale zogeheten anti-personnel mines, mijnen die werden ontworpen met het uitdrukkelijke doel om te verminken, niet te doden. De verdedigende partij is meer gebaat bij gewonden dan doden in het kamp van de vijand, redeneerden de ontwerpers. Andere soldaten zullen immers eerder proberen een gewonde kameraad te redden dan een dode en dat reddingswerk vergt extra mankracht en biedt bovendien de mogelijkheid dat de helper zelf op een mijn stapt.

In de Afghaanse grond bevinden zich veelsoortige gevaren. Het merendeel van de mijnen is van Sovjet-makelij. Vooral de POMZ, een maiskolfvormige mijn op een stok in de grond, en de platte kaasvormige PMN zijn wijdverbreid. Van de beruchte vlindermijnen ondervindt men tegenwoordig minder last. De meeste daarvan zijn intussen verdwenen.

Daarnaast zitten er ook Italiaanse mijnen van het type TC-6 en Pakistaanse P-2's alsmede Chinese mijnen in de grond. Aangezien daar nauwelijks metaal in zit, zijn die aanzienlijk moeilijker te traceren dan de Sovjet-mijnen. Ongeveer een vijfde deel van de Sovjet-mijnen is betrekkelijk makkelijk te achterhalen omdat de Russen na hun aftocht kaarten overhandigden met de lokatie van sommige mijnenvelden. Helemaal betrouwbaar zijn die kaarten niet, want soms hebben de mujahedeen de mijnen verplaatst of zijn ze door regen en andere natuurlijke factoren verschoven.

Het zoeken naar mijnen kan, zo heeft de praktijk geleerd, het beste door mensen worden gedaan. Goed getrainde honden kunnen soms van nut zijn, maar ze blijven minder betrouwbaar dan mensen. Een hond is geheel afhankelijk van zijn neus bij het zoeken naar mijnen. Die neus wordt betrekkelijk snel moe. Per dag kan een hond hooguit vier uur worden ingezet. Ook wil hun neus wel eens van de wijs raken, wanneer er een flinke wind opsteekt of als het erg warm wordt.

Het werk verloopt tergend langzaam. In gebieden waar veel is gevochten en dus veel metaalresten in de grond zitten maakt een koppel opruimers soms maar twee vierkante meter per dag schoon. Als het mee zit, halen ze acht tot twaalf vierkante meter op een dag. “Je kunt het vergelijken met het knippen van een grasveld met een nagelschaartje”, zegt Porter.

Als het werk in het huidige tempo doorgaat, zal het in de belangrijkste gebieden over vijf jaar gereed zijn. Dit betekent echter allerminst dat dan alle mijnen zullen zijn verdwenen. “Ook over honderd jaar zullen er nog mensen in Afghanistan sterven door landmijnen”, zegt Ian Clarke, een andere medewerker van Halo Trust.

Hoe zorgvuldig de opruimers ook zijn getraind, het blijft een uiterst riskant karwei. Bij Halo Trust, die werkt met zo'n 130 Afghanen en vijf buitenlanders, zijn er de laatste paar jaar twee Afghanen en twee buitenlanders om het leven gekomen. Daarnaast moesten er bij vier mensen ledematen worden geamputeerd. Toch aarzelt Khalil Ahmad niet het werk voort te zetten: “Dit werk is net zo onmisbaar als het bloed in het menselijk lichaam. Ik voel me bijzonder gelukkig bij elke mijn die ik onschadelijk maak.”