Ontwikkelingshulp

'Voor wie zijn ze ongelukkig'?, vraagt Gerrit Krol zich af in een artikel in het Cultureel Supplement van 1 april.

'Ze', dat zijn de mensen in ontwikkelingslanden die moeten lijden onder de 'vernietigende kracht' van de door ons gegeven ontwikkelingshulp, waarvan bovendien 'allang bekend is dat ze niet helpt'. Het ontwikkelingsvraagstuk draait volgens Krol om de verdeling van het geluk in de wereld dat zijns inziens een constante is. Daarbij wordt de strijd gestreden tussen 'wij' en 'zij'. Wij zouden de anderen wel graag gelukkig maken, maar slagen daar niet: al de hulpontvangende landen zijn volgens Krol, dankzij de steunverlening 'armer dan ooit' en dus niet gelukkiger geworden.

Laten we dat eens bezien voor het geciteerde voorbeeldland Tanzania. Het stond ook bekend om zijn economische experimenten die met name gericht waren op een vorm van socialistische produktiewijze waarvan nu algemeen erkend wordt dat ze weinig successen heeft behaald. Afgaande op gegevens van de UNDP groeide het nationaal inkomen per hoofd in Tanzania toch met zo'n 3,5% per jaar tussen 1960 en 1990, dit is ongeveer gelijk aan de groei van het Nederlandse inkomen over dezelfde periode. Volgens de redenering van Krol zouden de Tanzanianen toch gelukkiger moeten zijn geworden. Sommige landen hebben zelfs een zeer hoge economische groei gekend in de afgelopen 20-30 jaar, vooral in Azie en ook in Latijns- Amerika. Kortom, afgezien van gewelddadige conflicten en natuurrampen, hebben de meeste arme landen toch een welvaartstoename gekend waaraan in een bepaalde mate ook is bijgedragen door de inkomensoverdrachten vanuit de rijke landen. Over het gelukbevinden zijn minder gemakkelijk uitspraken te doen, maar dat heeft weinig of niets te maken met ontwikkelingshulp.

De 'wij' in het verhaal van Krol zouden hulp geven omdat dat ons 'de zekerheid geeft dat we goed gedaan hebben'. 'Wij', dat zijn de Europese landen, de Verenigde Staten, Japan, hulpverleners waarvan men weet dat zij soms uiteenlopende belangen hebben op terreinen als buitenlandse betrekkingen, handel en defensie. Al deze factoren bepalen de hulpinspanning naast de humanitaire overwegingen.

Nederland is een belangrijke donor met een jaarlijkse overdracht van circa 1% van het nationale inkomen (dat is ongeveer gelijk aan 0,85% van het bruto nationaal produkt te vergelijken met de internationale richtlijn van 0,7% van het BNP die Krol aanhaalt maar verwart met de nationale richtlijn van 1,5% van het nationaal inkomen).

Maken we daarmee de mensen in arme landen armer en ongelukkiger? Dat lijkt me een stelling die evenals de vergelijking van ontwikkelingslanden met een regenmannetje niet erg geloofwaardig is.