Ode aan de naïeve onschuld in de Alpen

Gezelschap: Nederlands Dans Theater 1. Première: Heidi. Choreografie: Martin Müller; muziek: collage; decor, kostuums: Tatyana van Walsum; licht: Henk Palmers. Verder: Visions Fugitives van Van Manen, Seconds van Lightfoot en Kyliáns Silent Cries. Begeleiding: Nederlands Balletorkest o.l.v. Christof Escher; solist: Daniël Raiskine (altviool). Gezien: 14/4 Den Haag AT&T Danstheater. Aldaar: 20, 21, 29, 30/4 en 4 t/m 6/5. Verder nog te zien in: Amsterdam, Rotterdam, Den Bosch, Breda, Groningen, Arnhem en Nijmegen.

Zeg Zwitserland en je ziet een vette bankrekening, een kluis gevuld met goudstaven. Je ruikt desnoods de groene kaas of de chocolade van Nestlé. Maar wie denkt er nu aan Heidi, het onbedorven Alpen-meisje bedacht door Johanna Spyri dat in 1937 voor het eerst gestalte kreeg in Shirley Temple. Toch nam Martin Müller, danser en choreograaf bij het Nederlands Dans Theater, zijn kleine landgenote als uitgangspunt voor zijn jongste werk. Heidi is zijn mislukte ode aan de naïeve onschuld.

In tegenstelling tot Spyri's boek, en de diverse filmversies ervan, is Müllers dansstuk geen smartlap in de directe zin van het woord. Het is een abstracte beantwoording van de vraag of de mens zijn onschuld en 'natuurlijke liefde voor de wereld' kan behouden bij het volwassen worden.

De broosheid van dit ideaalbeeld wordt gesymboliseerd door een schaal van aardewerk. Volgens Müller bezit elk meisje zo'n kom en de jongens willen in dat potje roeren tot het breekt. Alleen de ware liefde kan de scherven lijmen. Die gedachte is wel heel moralistisch en net zo conservatief als Müllers land van herkomst.

Die schaal wordt meteen in het begin geïntroduceerd door één danseres. Daarna gaat het gaasdoek omhoog en is de vloer bedekt met een zandkleurig kleed en bloemblaadjes waarin dertien meisjes spartelen met speelse, opflakkerende bewegingen. Daarna zijn uitsluitend de jongens aan de beurt. Die gooien kruis of munt of zij de dames kunnen verleiden met een geaccentueerde, boertige presentatie. Door het oninteressante bewegingsmateriaal zijn deze beide delen langdradig.

Maar in de daarop volgende korte, spannende duetten laat Müller zien dat hij niet alleen gevoel voor theater en theatereffekten heeft, maar dat er ook een echte choreograaf in hem schuilt. De paren springen als gemzen tegen elkaar op, fladderen als insekten om elkaar heen, of klampen zich aan elkaar vast vol onvervulde verlangens. Voor het eerst merk je dat hij zoekt naar een eigen bewegingstaal.

Maar ook in deze choreografie wordt de emotionele waarde niet zozeer door het dansidioom bepaald dan wel door de overige componenten. De melancholie en dreiging gaan uit van de muziekcomposites van Lou Harrison, Heitor Villa-Lobos en Gija Kantsjeli. Het gevoel van onheil door de oprukkende gletscher ontworpen door Tatyana van Walsum, die met de juiste nuances is belicht door Henk Palmers. Ook het in het programmaboek opgenomen gedicht van Ulrike Lytton geeft de bedoelingen van de choreograaf beter weer dan hij in beweging uitdrukt.

Nee, Heidi is niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Müllers werk blijft voor mij even duister als een in mist gehulde bergflank en aangevreten als een intensief begraasde alpenweide. Maar zo nu en dan is er onverwacht een mooi uitzicht.