Ode aan de grote voorlezers; Gebundelde artikelen van Kees Fens

Kees Fens: Leermeesters. Een keuze uit de maandagstukken. Uitg. Querido, 264 blz. Prijs fl.45,-.

Waarom leest men in vredesnaam Kees Fens? Hij is geen uitzonderlijk stilist, hij houdt er geen spraakmakende opinies op na, hij schrijft over dingen waar vrijwel niemand van gehoord heeft. Wat is toch de vreemde noodzaak, die mensen zoals ik ertoe brengt de Volkskrant van maandag te kopen, alleen om Fens te lezen? Dat kunnen we nu op ons gemak uitzoeken, want er is een keuze uit die maandagstukken gemaakt.

Misschien dat mijn antwoord wat beinvloed is door het moment waarop ik dit boek las, de paasdagen. Al in de zandbak was ik ongelovig en de vele kerkdiensten die ik na de kleuterschool doorbracht in een mengsel van verveling, afkeer en woede (maar de ergste van deze drie was de verveling) en vooral die voorgeprogrammeerde ellende van advent en lijdenstijd zouden goed in staat zijn geweest elke rest van religiositeit te doden. Maar dat deed het niet. Dat merk je bij het lezen van grote literatuur. Dat merk je ook bij het lezen van Fens.

Geen uitzonderlijk stilist, schreef ik. Dat is zo. Tenminste in dit boek. Hoe hilarisch hij kan schrijven, kiert soms tussen de regels door, bijvoorbeeld in een artikel over de doodsberichten uit The Times. Maar in de meeste van deze stukken is zijn stijl vooral ingehouden, vooral helder en dienstbaar. Fens is er de leerling van al die geliefde leermeesters, die hier herdacht worden en die, of ze nu Romein of negentiende-eeuwer waren, nog pas gisteren overleden lijken. Gisteren, niet vandaag.

Augustinus

Wie Fens op de voet volgt, kent die leermeesters. Het zijn Augustinus, Petrarca, Thomas More en Erasmus en vele anderen. Het is een kunsthistoricus als Van der Meer, een literatuurwetenschapper als Spitzer. Met drie stukken is Gerard Manley Hopkins het best vertegenwoordigd. Maar wie leest dat allemaal nog? Hoeveel mensen komen er in Nederland overeind, als ik degenen die het gedicht 'The Windhover' gelezen hebben, vraag op te staan? Toch geeft het lezen van dat gedicht precies de sensatie die ik bedoel: men staat voor het brandende braambos en ontschoeit zijn voeten.

Lawaai

Bij Fens wijkt de vorm voor de inhoud, precies op de manier waarop dat gebeurt in de oudchristelijke kunst. Als hij de herdruk van het boek Christus' oudste gewaad aankondigt, citeert hij Van der Meer als volgt: “Niet het beeld wil men zien, maar het afgebeelde. (...) Wat er in werkelijkheid gebeurde, was dat de inhoud van de prediking er zijn vorm vond, voordat de letterkundige bekommernis er vat op kreeg.” Zo is Fens leerling van zijn grote leermeesters. 'Learn the free man how to praise', schreef Auden ergens. Fens is een vrij man, vrij als de valk waar Hopkins over dichtte.

Ik heb me afgevraagd wie zijn geliefdste meester is. Ik vermoed Augustinus. “Wie over hem schrijft,” zegt Fens, “lijkt zijn sympathie enigszins te moeten verhullen.” Dat lukt Fens van geen kant. De bondigheid van Augustinus' taal, zijn liefde voor woordspelingen, het spel van zijn belezenheid, de directheid van zijn taal, het is er bij Fens ingegaan als het woord Gods, nee niet in de ouderling. “De lezer wordt,” schrijft hij veelzeggend, “parochiaan van de kathedraal van Hippo.”

“De allergrootste lezer uit de geschiedenis,” noemt hij Augustinus. Lezen is voor Fens niet, zoals voor Larbaud, een 'vice impuni'. Het lijkt hem minder om een persoonlijke cultuur te doen, om afzondering en individualisering. Daar wil hij het allemaal te graag voor delen. Fens is wat Leavis in zijn tijdschrift Scrutiny ooit omschreef als de complete lezer: 'the ideal critic is the ideal reader'. Het lijkt of zijn lezen een ode is aan zijn grote voorlezers.

Je zou er bijna hoopvol gestemd van worden, die bereidwilligheid van Nederlanders om Fens te lezen. In het belang en het lawaai van morgen, om nog een keer Auden te citeren, tijdens het gebrul op de beursvloer, de onvrede in de voetbalstadions en de paniek in de volksvertegenwoordiging, legt deze laatste der humanisten nog een keer uit wat er zo mooi aan klassieke oudheid en christendom, aan authenticiteit en dienstbaarheid, aan leegte en stilte is. En aan lezen.

    • Willem Otterspeer