Nieuwswaarde èn beroepsethiek tellen

In NCR Handelsblad van 9 april oordeelt redacteur F. Kuitenbrouwer in een Nieuwsanalyse over het commissariaat van Brinkman en de daardoor ontstane commotie, dat voor de media alleen de nieuwswaarde telt. Dat betekent overigens niet, voegt hij eraan toe, dat zij zich klakkeloos moeten laten gebruiken door hun bronnen bij politie of justitie.

Men mag er inderdaad van uitgaan, dat het de journalist gaat en mag gaan, en zelfs beroepshalve moet gaan, om de nieuwswaarde van gebeurtenissen, verhalen, feiten en omstandigheden. Maar de praktijk leert, vooral in kort geding en ook tegenover de Raad voor de Journalistiek, die zoals Kuitenbrouwer vermeldt oordeelt over vragen van beroepsethiek, dat perspublikaties op verscheidene manieren onrechtmatig kunnen zijn. Het (nieuw) Burgerlijk Wetboek, art. 6:167 lid 1, noemt daarvan twee vormen: onjuiste of door onvolledigheid misleidende publikatie van gegevens van feitelijke aard. Deze bepaling luidt algemeen en is in het bijzonder gericht op het verkrijgen van een veroordeling door de rechter om een rectificatie openbaar te maken. In de praktijk gaat het meestal om perspublikaties, die om de genoemde redenen onrechtmatig zijn. Maar er zijn hier meer mogelijkheden: een publikatie kan - niet onjuist, noch misleidend - toch iemand in eer en goede naam aantasten of anderszins maatschappelijk onzorgvuldig zijn. Meestal overweegt de rechter dan, dat zo'n publikatie beledigend of nodeloos grievend is.

De Hoge Raad heeft in vier civiele arresten criteria ontworpen, waaraan in dergelijke zaken moeten worden getoetst: ik noem slechts de uitspraken weergegeven in de Nederlandse Jurisprudentie onder de nummers 1984/ 801, 802 en 803 en 1989/ 361. Gisolf, de huidige president van de Amsterdamse Rechtbank, beschrijft er acht in zijn boek 'Kort Geding en Rechter' (1993). Ik noem er enkele: - de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben; - de ernst - gezien uit het algemeen belang - van de misstand welke de publikatie aan de kaak beoogt te stellen; - de mate waarin ten tijde van de publikatie de verdenkingen steun vinden in het toen beschikbare feitenmateriaal; - de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de hiervoor genoemde factoren.

Een fijnmazig stelsel, door de rechter geplaatst tegenover het vaak grofmazige van de publikatie door de op nieuwsgaring uit zijnde journalist. Dat grofmazige dat daardoor vaak leidt tot onrechtmatig optreden, wordt meestal niet veroorzaakt door onvolledigheid van de publikatie, maar door haar eenzijdigheid, suggestiviteit en haar vermogen om bij het publiek onjuiste voorstellingen te wekken. Het ergste is natuurlijk, wanneer het de journalist daarom begonnen is: lekker suggestief en velen belust makend op dat soort 'nieuws'. Journalisten beseffen heus wel hoe vaak ze iemand op deze manier pakken en benadelen. Zij weten krachtens hun vak, dat men op drie manieren vragen kan stellen en antwoorden kan uitlokken: een vraag die stilzwijgend veronderstelt dat het antwoord ja moet zijn, een vraag die het tegendeel wil en dus nee moet luiden, en de objectieve vraag, waarin ja of nee niet bij voorbaat besloten ligt.

De eerste twee manieren van vragen zijn wel geoorloofd, maar leiden gemakkelijk tot het onrechtmatige door het suggestieve. Het zijn vooral politieke journalisten (radio, krant, televisie), die de geïnterviewde drijven naar het antwoord, dat zij willen hebben: ze luisteren niet of nauwelijks naar nuanceringen, kappen de spreker halverwege af, stellen een nieuwe vraag of herhalen de oude. Het gaat blijkbaar niet om het inzicht van de ondervraagde (een gesprek is het eigenlijk niet - wat toch het doel is van een interview), maar om hún eigen meestal negatief oordeel, dat ze bevestigd willen zien. En soms gaat het er alleen maar om de ander onderuit te halen. Ergernis alom, maar sarcasme bij de journalist.

Velen die op deze wijze journalistiek worden aangepakt hebben vaak geen zin om te reageren via de rechter of de Raad voor de Journalistiek: het wordt dan dikwijls alleen maar erger, het vraagt veel tijd en het kost ook veel geld, zeker bij het procederen. Ze verduwen hun grieven en teleurstelling, en praten er hooguit over met vrienden en kennissen. Dit is niet alleen alleen onbevredigend, het bederft ook de sfeer in de samenleving, de goede verstandhouding, de behoorlijke zorgvuldigheid; het kwaad van onrechtmatige perspublikaties.

Journalisten mogen dus niet volstaan met op te merken, dat voor de media alleen de nieuwswaarde telt. Er zijn grenzen aan de nieuwsgaring en publikatie daarvan, niet zo maar grofmazig zoals in feite vaak gebeurt, maar aanzienlijk fijnzinniger, eindigend waar een ieder mag vertrouwen op eerbiediging van zijn of haar persoonlijke levenssfeer.

    • J.H. Blaauw
    • Oud-Lid van de Raad van State