Niets is te cru voor kinderen; Eva Bal over de kracht van jeugdtheater

De Nederlandse regisseuse Eva Bal maakt in Gent theater voor en met kinderen. De nieuwste voorstelling, Achter glas, is gebaseerd op brieven van kinderen uit voormalig Joegoslavie en op improvisaties van de spelers. “Ik denk dat de wereld zo een erg ding is,” zegt de jongste acteur.

Achter Glas. Jeugdtheaterfestival. 23 april 19u, Casino Den Bosch. Verliefd-Verloren. Holland Festival. 10 t-m 12 en 17 t-m 19 juni, De Krakeling Amsterdam.

Het toneel is donker, tot in de hoogte een raam oplicht met daarachter een kind. Het blaast op de ruit en schrijft met zijn vinger flarden tekst op het bewasemde vlak. Ze gaan over de overzichtelijke tijd toen de vorken nog links van het bord lagen en de messen rechts. “Sommige mensen bidden voor het eten, anders vliegt de kip van hun bord. Maar God doet toch wat hij wil.” De jongen droomt dat hij dokter wordt op een 'vliegvakantieschip' en als verjaardagscadeau een 'vluchtfazant' zal krijgen. Maar in zijn oma vliegt een kogel, de oma die hem op het hart heeft gebonden om zich onder alle omstandigheden zijn naam te blijven herinneren: “Ik mag niet vergeten wie ik ben, Alexander Manoi.” De tongval van deze Alexander is Vlaams, zijn stem even bewasemd als de ruit. Waarom hij zo alleen is, wordt niet duidelijk. Misschien is het de oorlog, misschien iets anders waardoor kinderen in een isolement raken.

Inmiddels zijn zich beneden hem op de speelvloer raadselachtige taferelen gaan afspelen. Kleine en grote figuren bewegen in fraaie patronen onafgebroken door de ruimte. Als in een kaleidoscoop klonteren ze tot wisselende groepjes samen en verdwijnen dan weer. De beelden drukken verlorenheid uit: een klein mens in jacquet steekt iedereen tevergeefs zijn hand toe. Nu en dan is er een verdwaald moment van genegenheid, maar de agressie overheerst. Een meisje snijdt met een levensgroot broodmes haar kousen aan flarden en twee jeudige obers doen een wedstrijdje jongleren met hun dienblad, tot de een de ander er mee smoort. Een kleine die op zijn lazer krijgt van een grotere pikt op zijn beurt de rode feestschoenen van nog een kleinere.

Soms lijkt het kinderspel - hinkelen, verstoppertje en giechelende meiden die zich verkleden in elkaars jurken - maar dan geschilderd door Jeroen Bosch, niet door Pieter Breughel. Nu en dan groeperen spelers zich voor een knap stukje close harmony-zang en met tomeloze energie storten ze zich in de ene dans na de andere. Hoe onbarmhartig deze personen elkaar ook behandelen, op een bepaalde manier vormen ze toch een groep en de eenzame jongen achter glas probeert zich bij hen te voegen. Hij wordt genegeerd, afgewezen en vernederd, maar hij houdt vol tot hem, vlak voor het licht dooft een ander in een beschermend gebaar op de rug springt.

Het publiek, dat overwegend bestaat uit volwassenen met hier en daar een kind, heeft geconcentreerd en soms hoorbaar aangeslagen zitten kijken. Het is onmogelijk de stortvloed aan beelden, incidenten en interactiemomenten als een geheel te begrijpen, maar aan een gevoel van treurigheid ontkomt niemand. De vraag tijdens de nazit is dan ook voorspelbaar: “Is dit niet te cru voor kinderen?” Nee, vinden de makers van Achter Glas, want dit is de situatie voor veel kinderen in de wereld en dat weet tegenwoordig bijna iedereen, ongeacht zijn leeftijd. Of zoals de jongste acteur zegt: “Ik denk dat de wereld zo een erg ding is.” Maar hebben wij de enorme kracht en vitalititeit wel opgemerkt die de spelers ondanks de thematiek uitstralen? Dat is toch hoopvol?

Vukovar

Aan het woord zijn regisseuse Eva Bal en haar vaste artistieke partners componist Paul Carpentier en choreograaf Ives Thuwis. Samen met veertien Gentse kinderen en twee jonge beroepsacteurs hebben zij Achter Glas bedacht en vormgegeven. Als basis dienden gesprekken en improvisaties met de spelers en brieven en tekeningen van kinderen uit Vukovar (voormalig Joegoslavie). Het niveau van de voorstelling ontstijgt in alle opzichten dat van de doorsnee jeugdtheaterschoolproduktie, die vaak alleen met een welwillend familieoog genietbaar is.

Eva Bal (1938) is afkomstig uit Den Haag en opgeleid aan de toenmalige Academie voor Expressie door Woord en Gebaar van Wanda Reumer. Sinds de jaren zestig werkt ze in Belgie, waar ze in 1979 de professionele jeugdtheatergroep Speelteater Gent oprichtte. Muziek is in haar werk altijd prominent aanwezig geweest en de laatste jaren gaat de dans een steeds belangrijker rol spelen. De flitsende bijdrage aan het project Voyeurs 2 tijdens het Holland Festival 1993 bezorgde haar de opdracht om voor het komende Festival samen met Carpentier en Thuwis een jeugddansproduktie te maken. Dat wordt Verliefd- Verloren, voor vijf jonge en twee oudere dansers (Lydia Chagoll en Jaap Flier).

Na een vasthoudend gevecht van jaren beschikt het Speelteater eindelijk over een eigen huis: de Kopergietery, een fraai verbouwd negentiende-eeuws fabrieksgebouw dat vijftig jaar leeg heeft gestaan. Naast een zaal met tweehonderd zitplaatsen zijn er twee uitnodigende foyers, drie repetitieruimten, kleedkamers, kantoren, een keuken en een soort huiskamer met prettige hangbanken. Daar leest de cast van Achter Glas in afwachting van doorloop of voorstelling zijn stripbladen en werkt in een mum van tijd tachtig broodjes en een tas vol appels weg. Ondertussen bestuderen choreograaf en dansers aan de keukentafel de decorvoorstellen voor de Holland Festivalproduktie.

Veertien dagen geleden opende de Kopergietery haar deuren als zogenaamd Kinderkunstencentrum. De Kopergietery programmeert voorstellingen van derden, de produkties van het eigen Speelteater krijgen er vorm en voor kinderen zijn er zes projectgroepen, waarin ze onder leiding met muziek, dans en theater bezig zijn. Verschillende van hen spelen mee in Achter Glas.

Verlaten landje

Met jongeren is Eva Bal haar hele werkende leven al in de weer geweest. In 1992 oogstte ze veel succes met De Tuin, later door Frank Alsema voor de VPRO verfilmd. De voorstelling werd gemaakt met zestien kinderen van negen verschillende nationaliteiten die geen van allen een theater van binnen kenden. Een aantal van hen zag ze elke dag rondhangen op een verlaten landje en ze wilde graag iets doen met het beeld van creativiteit, drift en treurigheid dat ze opriepen.

“Ik vind kinderen prachtig materiaal om theater mee te maken. Maar het is beslist niet zo dat ieder kind dat hier binnen loopt in aanmerking komt. Ik componeer met grote zorg mijn groep, daar werk ik soms maanden aan. Het is als het samenstellen van een boeket. We houden audities en gaan op scholen kijken. Ik kies niet op vaardigheid en al helemaal niet op mooi toneelstukjes kunnen spelen. Ik ben allergisch voor toneelstukken. Ik kies op persoonlijke uitstraling. Later gaan we kijken of in het improviseren en het werken met elkaar dat wat ik vermoedde in een kind ook naar buiten komt. Ik vergis me eigenlijk nooit.

“We beginnen niet bij wat ze moeten uitdrukken, maar bij wat ze zijn: hoe ze staan, kijken en rondwandelen, hoe ze lachen en zich kwaad maken. Ik vind theater trouwens nooit 'uitdrukken', daar krijg ik een heel vreemd gevoel bij.

“Acteurs moeten het eigen zijn transparant maken, weten welk effect dat heeft op mensen. Kinderen hebben zelden last van een gewilde theatraliteit en ze brengen vaak een groot achterland met zich mee. Dat is hun geheim en ik hoef niet precies te weten wat het is, als ik het maar zie.

“Neem Guillaume (de jongen die achter het glas zit B.B.). Op een dag stond er zo'n jongetje met een mutsje op in het theater. Ik was bezig, een beetje geirriteerd, vroeg hoe hij heette. Zegt hij: 'Vyncke Guillaume'. Vreemde manier van voorstellen, maar ik had haast en om van hem af te zijn vroeg ik: 'Vyncke Guillaume, wat interesseert jou in het leven?' Hij was zeven of acht, dus wie heeft er dan een antwoord op zo'n vraag! Hij wel. Uit dat mens kwam een stem en die zei: 'Ik gaat elke zondags gaan jagen.' Toen heb ik hem meegenomen en gevraagd daarover te vertellen: Jij gaat daar staan en ik zit hier. En dan gebeurt het wonder. Hij is niet verbaasd, hij gaat niet bleren en vertelt een fantastisch verhaal over de fazantejacht. En ik zeg: Zo Vyncke Guillaume, wil jij acteur worden? Je moet zulke kinderen zien en ik heb daar het oog voor.”

vraag De stap van spelen op een landje naar theater moet toch enorm zijn.

..Het begint precies als op dat landje, met spel. Bovendien zijn kinderen goed in zo maar eens iets proberen, zonder dat het een halszaak is. Prestatiedrang zit natuurlijk in ze, maar aanvankelijk heeft het iets lossigs: we proberen maar eens wat ze vraagt. Het grootste probleem was dat er aanvankelijk geen enkele vorm van orde in de groep was te krijgen. Die kinderen vonden het fantastisch: ze kregen aandacht en ze waren belangrijk voor iets wat dat dan ook zou blijken te zijn. Er ontstond een enorme elektriciteit. Ze zagen elkaar en de vonken sloegen eraf. 'Willen jullie even gaan zitten?' werkte absoluut niet. Je moest bulderen als tegen een hond: 'zit!' In de studio was de barre gemold nog voor ik kon uitleggen dat daar normaliter een meneer ballet stond te doen. Trouwens, wat is ballet? Drie maanden moesten we bekijken welke afspraken er te maken vielen zodat we een begin zouden kunnen maken met werken.

“Wat hen toch bijeen heeft gehouden is de energie om de dingen aan te gaan, om de mistroostigheid te verdragen. Dat heeft me diep geraakt. En ook de zwarte treurigheid in wat ze je laten zien. Die werd na een tijdje door de groep herkend en gedeeld, zodat er uiteindelijk een grote verbondenheid ontstond, gebaseerd op dezelfde hevigheid waarmee ze een spiegel van de muur scheurden.”

vraag Overschrijdt dat niet de grenzen met het sociaal werk?

“Ik heb een theatraal doel. Ik ben geen lerares, kleuterjuf of sociaal werkster, maar als ze me echt nodig hebben, ben ik er. Vorig jaar heb ik twee meisjes een tijdje in huis gehad. Wat is grenzen overschrijden? Voor mij valt zoiets onder menselijke omgang.”

vraag Wat is de aantrekkingskracht van kinderen?

“Mijn bekommernis gaat naar hen uit. Ik zie beelden van de oorlog, brandende huizen met een kind achter de ramen. En dan denk ik waar moet dat naartoe? Al die kinderen die maar los door de wereld lopen en die niets meer hebben. Ik vind ze immens treurig, maar tegelijkertijd vraag ik me af: wat gaat er in ze om, hoe leven ze? Ik zie een film over zwerfkinderen, mijn hart krimpt, maar ik ben ook geraakt door een kind dat zegt: ik heb een goede slaapplaats, ik heb drie kartonnen dozen. Daar is verdorie weer een die iets verzonnen heeft! De kracht om toch weer een gaatje te vinden, die wil ik dan op de scene zetten, laten zien, zoals een schilder. Het is absoluut niet zo dat ik alsmaar DE kinderwereld wil laten zien. Het is onze wereld.

“Zelf ontleen ik veel aan kinderen, aan hun oorspronkelijkheid en directheid, aan hun ongelooflijke loyaliteit en de puurheid van hun emoties. Ik wil in ze investeren, want bij hen zie ik groei. Er is onafheid en vanaf het moment dat iets omlijning krijgt, groeit het niet meer. Dat is in mijn werk ook zo. Zodra iets vast lijkt te liggen, ga ik onmiddellijk zoeken naar het gat in de omheining. Laatst waren er heren hier om te bekijken of we zouden worden goedgekeurd als kunstencentrum. Zo, wij gingen dus theater, dans, film en muziek doen... en dan hoor ik mezelf plotseling zeggen dat we misschien ook wel prachtig circus gaan brengen. En als de heren schrikken moet ik me beheersen om niet te zeggen dat we al bezig zijn een achteringang voor olifanten te maken.

vraag U wilt graag dwars liggen.

“Nee, ik zou willen dat zulke heren begrijpen dat cultuur natuurlijk om beleid vraagt, maar dat het naast het bestendigen en bevestigen van cultuur erg belangrijk is kansen te geven aan dat wat zou kunnen ontstaan. In Gent zijn onlangs de Opera, de Koninklijke Schouwburg en de Minardschouwburg gerestaureerd. De overheid investeert graag in gevestigde waarden. Onze Kopergietery is zonder een frank overheidsgeld neergezet. We zijn nu wel erkend als kunstencentrum, maar krijgen voor die functie geen subsidie. Ik heb de minister een bedankbrief geschreven waarin stond dat dit hetzelfde is als iemand uitnodigen voor een maaltijd waar je geen voedsel serveert. We hebben toch een gas- en elektriciteitrekening en het gebouw moet gerund worden. Dat moet nu van het Speelteaterbudget, wat natuurlijk niet kan. De volgende subsidieperiode begint pas over vier jaar. Ik kan me niet voorstellen dat cultuurbeleid inhoudt dat je maar eens per vier jaar de bakens kunt verzetten. Wij hebben nooit in de kanalen gepast, dus dan moeten ze de kanalen maar aan ons aanpassen. Ik hoop op een van de mysterieuze potten die er altijd bestaan. Er kan wel ineens een niet gepland Kunstenfestival in Brussel uit de grond gestampt worden. Dus blijf ik vechten. Afwachten is er voor mij nooit bij geweest.”