Met de broekspijpen in troebel water; Vloeiende filosofische roman van Juan Jose Saer

Juan Jose Saer: Het onuitwisbare. Vert. Johanna Vuyk-Bosdriesz. Uitg. Prometheus, 275 blz. Prijs fl.36,90.

In de roman Het onuitwisbare van de Argentijnse schrijver Juan Jose Saer komen weinig filosofen voor. Saer koketteert niet met diepzinnigheid of eruditie, strooit niet met verwijzingen of citaten. Toch is het boek van kaft tot kaft van filosofie doordrenkt. Het verhaal drukt in indirecte rede en zonder nadrukkelijkheid een Nietzscheaanse wereldvisie uit, ongeveer zoals Sartre in La nausee duidelijk maakte hoe het existentialisme aanvoelde.

Saers verhaal is even simpel als dat van Sartre. Carlos Tomatis, een verlopen publicist in een Argentijnse provinciestad, wordt op sleeptouw genomen door een zekere Alfonso, directeur van een boekenclub, en zijn secretaresse Vilma Lupo. Doel: de oprichting van een nieuw literair tijdschrift als tegenwicht tegen de culturele voosheid van het Argentijnse militaire bewind. Tomatis zou een ideale redacteur zijn. Schreef hij niet ooit een striemend artikel tegen Walter Bueno, de (fictieve) culturele boy wonder van de junta, auteur van de bestseller Het briesje in het koren? Tomatis weigert, maar laat zich graag feteren. Gaat hij uiteindelijk overstag? Na de hele roman door mineraalwater te hebben gedronken, vraagt hij Alfonso in de slotregel van het boek 'iets sterkers'...

Water speelt een belangrijke rol in Saers roman. Het regent voortdurend in Tomatis' wereld, het klotst en het stroomt, en het zuigt zich, zwart en troebel, de broekspijpen in wanneer Tomatis tot op de laagste trede van de keldertrap is afgedaald. Dat laatste is Tomatis' metafoor voor de verloedering, wanhoop en drankzucht die hij nog maar net te boven is gekomen. Zijn huwelijk strandde definitief toen zijn vrouw vertelde een door de militairen gezocht buurmeisje aan de folteraars te hebben prijsgegeven.

Omwille van hun eigen dochtertje, had ze erbij verklaard, bang voor huiszoeking. Dat had ze haar moeder nagezegd ('Doe het voor de kleine meid'), die voor Tomatis model staat voor alles wat in het burgerdom verachtelijk is. Zij is snobistisch, zelfzuchtig, hypocriet en overtuigd van haar eigen bestaansrecht. Ze wenst orde en is bereid daarvoor eventueel een militaire dictatuur te accepteren. Ze behoort, net als Walter Bueno, tot de beautiful people voor wie het comfort van deze wereld (sportwagens, koffers van Vuitton) is weggelegd, en die menen daar recht op te hebben. Dit volk is niet van zins, noch in staat, vraagtekens te stellen bij de orde die hun wereld mogelijk maakt. Daarentegen twijfelt Tomatis aan alle orde, om te beginnen aan de maatschappelijke. Orde is er alleen dankzij het verborgen geweld van machthebbers, zoals generaal Negri, specialist in martelingen, die in het praatprogramma van Walter Bueno ('Gesprekken op niveau voor iedereen') over cultuur babbelt of bij de plechtige hoogmis op de eerste rij zit. Deze cultuur is de farce die de orde een menselijk gezicht geeft, maar die menselijkheid drijft op wreedheid.

Soep

De twijfels van Tomatis gaan dieper. Orde ziet hij ook in het bestaan zelf niet, alleen -zo laat hij in de eerste zinnen van het boek weten- een 'naamloze, vormloze, richtingloze stroom'. De wereld buiten ons, 'voorbij de rand tot waar de woorden reiken', is vormloos en onbenoembaar. We plakken woorden op wat we menen waar te nemen en denken ons daarmee een pad in de realiteit te hebben gebaand. In werkelijkheid zijn de dingen 'ruwe, ongevormde massa's', onvoorspelbaar en geleid door toeval. Alles stroomt, als water of als de soep die Tomatis dagelijks door zijn zuster krijgt voorgezet; ze herinnert hem aan de 'oersoep' van de wereld ('cosmogonische soep' zegt de vertaling): de totale chaos die ligt aan de wortel van alles.

Maar men bespiegelt de broosheid van het bestaan en de betwistbaarheid van de kennis niet straffeloos. Dat leidt gemakkelijk tot moedeloosheid en tot onwil om wat dan ook na te streven. Nietzsche noemde dit nihilisme en hij wilde er niets van weten. Saer volgt hem daarin, maar evenmin als Nietzsche kiest hij daartegenover voor de alledaagse domheid die de ogen voor de chaos sluit en orde eist. Tomatis bekent zich aangetrokken te voelen tot het irrationele 'omdat het tegen de gevestigde orde ingaat en de troebele kant van de dingen veel interessanter maakt'. Maar ook hij beseft dat men niet blijvend in de chaos kan leven. Na zijn broekspijpen in het troebele water te hebben laten hangen, is hij langs de keldertrap alweer op weg naar boven.

Vermoedelijk blijft hij halverwege staan. Hij gelooft niet in de simpele kritiek die Alfonso levert op de bestseller van Walter Bueno: dat er van de roman psychologisch niets klopt, dat de feiten verdraaid zijn, dat de auteur de werkelijkheid willekeurig naar zijn hand heeft gezet. Een dergelijke kritiek meent nog altijd dat de wereld op een orde berust en dat de criticus zich op de waarheid daarvan kan beroepen. Ze is minder bewust-kortzichtig dan de burgermansblik en ze heeft een hoger moreel gehalte, maar ze zweert uiteindelijk bij dezelfde waarden.

Tomatis' houding is tweeslachtig; daarom zegt hij uiteindelijk ja noch nee, of zegt nee, maar bedoelt 'wellicht'. Hij maakt zich vrolijk over de naiviteit van Alfonso (die meent dat een literair tijdschrift werkelijk iets tegenover de dictatuur betekent), maar gruwt van de morele verwording van Bueno. Een aanknopingspunt om te handelen heeft hij niet, omdat hij twijfelt aan de bestendigheid van alles, maar hij weet wel waar de dingen onaanvaardbaar worden: daar waar ze te mooi en te ordelijk zijn, want kreukelloze orde betekent altijd geweld.

Er liggen parallellen tussen Tomatis en Sartre's held uit La nausee. Beiden worden door walging overvallen: Roquentin door het onverschillige er-zijn van de dingen, Tomatis door hun onbestemde vluchtigheid en hun onkenbaarheid. Metafysica heeft plaats gemaakt voor kenkritiek. Sartre schreef onder invloed van Heidegger, Saer onder die van Bataille, Rorty en Derrida.

Hij doet dat zonder een spoor van zwaarwichtigheid. Tomatis' kentheoretisch skepticisme vloeit even vanzelfsprekend voort uit zijn dagelijks relaas als zijn afkeer van de gevestigde, gewelddadige orde. Saer is een bescheiden schrijver, wiens diepgang niet opzichtig is en wiens romans tot in de details zijn doordacht. Zelfs de vorm van het verhaal is even vloeiend als de realiteit die Saer tracht te beschrijven: een ononderbroken stroom, zonder hoofdstuktitels, met alleen korte, markerende tussenkopjes in de kantlijn. Saer aanvaardt dat continuiteit en interruptie beide voor zijn verhaal noodzakelijk zijn, zoals ze dat ook zijn voor het leven. Even dubbelzinnig is zijn hoofdpersoon, die een ironische afstand bewaart tot beide uitersten. Waarom vraagt Tomatis aan het eind van het verhaal om 'iets sterkers' dan water? Omdat luciditeit even onleefbaar is als een blijvend delirium? Of om zijn antwoord aan Vilma en Alfonso (ja of nee?) opnieuw te kunnen uitstellen?