Klem in een wereld van terreur; Novelle voor middelbare scholieren van Boudewijn Buch

Boudewijn Buch: De hel. Uitg. Atlas, 121 blz. Prijs: fl.29,90.

Toen de Hema in 1990 De hel van Boudewijn Buch uitgaf in de reeks 'literaire novellen', ging dat gepaard met de bevelachtige aanbeveling: 'Het is een boek dat er om schreeuwt op alle leeslijsten van alle middelbare scholieren terecht te komen.' De lotgevallen van Winkler Brockhaus, scholier aan het begin van de jaren zestig, werden op de achterflap gevat onder de noemer 'discriminatie'. En discriminatie, moest de jeugd weten, is niet cool. Zelfs warenhuizen in dit land kunnen het bevoogden niet laten.

De hel is nu - enigszins bewerkt en vijf keer zo duur als bij de Hema - opnieuw uitgegeven. Voor wie niet genoeg heeft aan de krant als het gaat om maatschappelijke problemen, zal de novelle, zoals dat heet, 'actueler dan ooit' zijn. Wat mij betreft maakt De hel weer eens duidelijk dat actualiteit en kunst elkaar slechts zelden verdragen. Zeker als er ook nog eens een bepaalde 'doelgroep' (scholieren) op het rechte pad gebracht moet worden. Buchs novelle schreeuwt inderdaad nogal en mist juist daardoor elke overtuigingskracht.

In De hel maken we opnieuw kennis met de wat contactgestoorde Winkler Brockhaus, wiens eenzame jeugd en volwassenheid voor het eerst beschreven werden in Het dolhuis (1987). Die ingetogen geschreven roman is een van de hoogtepunten van Buchs oeuvre. Met op de achtergrond een erotisch geladen, hechte vader-zoon relatie, roept Buch indirect een schrijnend, soms ontroerend beeld op van wat waarschijnlijk 'zijn' jaren vijftig zijn.

Ook Het dolhuis laat zich verkopen met een modieuze invalshoek: incest, bijvoorbeeld. Maar het is een roman over onvrijheid. Zowel het dorp waar Winkler na de oorlog opgroeit als het tehuis waarin hij tussen wrede nonnen voor zijn vader wordt verborgen, is een collectief dat individuele verlangens onderdrukt. De hel, dat is de jaren vijftig bij Buch: 'we' tegen 'ik', en 'we' wint altijd. Ook het begin van de jaren zestig, de periode waarin De hel speelt, moet van Buch tot het helse decennium gerekend worden. Als middelbare scholier zit Winkler Brockhaus nog steeds 'klem in een wereld van terreur'. Ditmaal zijn het sadistische leraren die Winklers vrijheidsdrang onderdrukken.

De novelle had daarmee een mooie aanvulling op, verdieping van, Het dolhuis kunnen zijn. Dat hij dat niet geworden is, komt door een aantal geforceerde, ingrepen van Buch die de ongeloofwaardigheid bevorderen. Winkler Brockhaus is in De hel opeens joods. Zijn isolement was in Het dolhuis nog het resultaat van een complex aan factoren. Nu vloeit het volledig voort uit antisemitisme. Vrijwel elke leraar is een brullende en tierende halve nazi, die het op 'jodenjongen' Winkler begrepen heeft.

Karikaturen

Buch doet aan het slot nog een halfhartige poging om van die leraren, vele jaren later, alsnog 'mensen' te maken. Maar het kwaad is dan al geschied. Alle personages in De hel blijven karikaturen en ook Winkler is geen schaduw meer van de gelaagde, en daardoor geloofwaardige persoonlijkheid die hij in Het dolhuis was.

Naar het waarom van deze ingreep kan ik alleen gissen. Ik vermoed dat Buch - inderdaad - een soort doelgroep-novelle heeft willen schrijven: antisemitisme dan wel discriminatie voor onwetende scholieren verklaard. Subtiliteit, moet Buch gedacht hebben, staat de boodschap dan maar in de weg. Ook stilistisch en compositorisch gaat Buch regelmatig op z'n hurken zitten. Zinnetjes als 'O nee, ma, doe dat alsjeblieft niet!' zijn van poppenkastniveau. Dat geldt ook voor de manier waarop Buch bruggetjes bouwt tussen de verschillende gebeurtenissen.

Bijvoorbeeld. Winkler en zijn broertje Laroux praten over een leraar wiens hospita reuma heeft. Winkler: 'Reuma? Is dat dezelfde ziekte die de dames Lepelaar hebben?' Driemaal raden wie er vervolgens in de poppenkast opduiken. De dames Lepelaar. Dat krijg je als je middelbare scholieren een lesje wilt leren: je gaat er infantiel van schrijven.